Een juridische blooper

De elektronische wereldbibliotheek bevat enkele websites waarop reaguurders hun frustraties over de beboeting van verkeers-overtredingen kwijt kunnen. Een daarvan is www.flitsservice.nl. Kort geleden was op deze website het volgende bericht te lezen:

'Kom net uit de rechtbank inzake het bermparkeren. En het beroep is GEGROND verklaard!
Een compleet verbrouwereerde CVOM-vertegenwoordiger moest aanhoren dat het verdrag van Wenen inderdaad voor de nationale wetgeving gaat.
Het CVOM betoogde de artikel 1 Wegenverkeerswet bepaling. RVV en de Notie van Toelichting deden er dan niet toe, want WvW staat boven het RVV.
Maar de kantonrechter was er kort over: het mag volgens het Weens verdrag en die staat boven de nationale wetgeving.
CVOM zat daar behoorlijk verbaasd. Kantonrechter gaf aan dat het OM in appèl kan gaan en dat ze in zulk geval zeer benieuwd was wat het Hof er van vond. CVOM gaat zich nu beraden. Heb zo het gevoel dat ze wel in appèl gaan.'

De kromsprakigheid daargelaten, deed het bericht de wenkbrauwen fronsen. Inzake ‘bermparkeren’ zou ‘het Verdrag van Wenen’ (welk verdrag dan?) de nationale wetgeving aan de kant zetten. Dat zou een kantonrechter hebben bepaald. Het vreemde bericht maakte nieuwsgierig en leidde tot een zoektocht naar de bedoelde beslissing van een kantonrechter. Het bleek te gaan om een vonnis van de kantonrechter uit de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2013, op 18 november geplaatst op rechtspraak.nl onder nr. ECLI:NL:RBNHO:2013:10952. Na lezing van het vonnis waren de wenkbrauwen opgetrokken tot plafondhoogte.

De zaak gaat over het parkeren van een auto in de berm van de weg. Omdat die auto daar stond in strijd met een door bord E1 aangegeven parkeerverbod, was een administratieve boete opgelegd. Tegen de oplegging van de sanctie werd beroep ingesteld bij de officier van justitie en, na verwerping van dat beroep, bij de kantonrechter. Deze vernietigde de boetebeschikking. De kantonrechter meende dat de Nederlandse regeling inzake de reikwijdte van verkeersborden onverenigbaar is met de art. 1 en 6 van het Verdrag inzake verkeerstekens (Wenen, 8 november 1968, Trb. 1974, 36). Uitgangspunt van art. 65 RVV 1990 is dat verkeerstekens gelden voor de gehele zijde van de weg waarop zij zijn geplaatst. Volgens art. 1 WVW 1994 bestaat de weg niet alleen uit de rijbaan met de fiets- en voetpaden, maar horen ook de ‘bermen of zijkanten’ tot de weg. In onderling verband begrepen, is de consequentie dat een parkeerverbodsbord niet alleen geldt voor de rijbaan, maar ook voor de berm of zijkant van de weg. En dit blijkt in de visie van de kantonrechter het pijnpunt te zijn. Uit de art. 1 en 6 van het Verdrag inzake verkeerstekens leidt de kantonrechter af dat voor de toepassing van het Verdrag verkeerstekens alleen maar van toepassing zijn op de ‘hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat’ (art. 6 lid 2 Verdrag). Nu onder ‘rijbaan’ wordt verstaan ‘dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt’ (art. 1 onder d Verdrag), heeft een verkeersbord volgens het Verdrag dus geen betrekking op de berm of zijkant van een weg. Aangezien de bepalingen van het Verdrag volgens de kantonrechter voor de bepalingen van de WVW 1994 c.a. gaan, kan bord E1 geen betrekking hebben op het parkeren in de berm.

Ik vrees dat het voor de geachte kantonrechter tijd wordt om bij de SSR een cursus ‘elementair volkenrecht’ te volgen. Als daarvoor de tijd ontbreekt, zou het voor de edelachtbare nuttig zijn om kennis te nemen van commentaren op art. 93 Grondwet. Dan zou hij/zij hebben kunnen leren dat het Verdrag inzake verkeerstekens de bepalingen van de WVW 1994 c.a. alleen maar aan de kant kan zetten als het Verdrag ‘self executing’ of rechtstreeks werkend zou zijn. En zoals de lezer al kan raden, het Verdrag mist die rechtstreekse werking. Uit de bepalingen van het Verdrag, en hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het Verdrag inzake het wegverkeer (Wenen, 8 november 1968, Trb. 1974, 35), volgt dat het Verdrag verplichtingen op de Lidstaten legt om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de voorzieningen in het Verdrag. Het Verdrag strekt er niet toe om rechtstreeks te werken, in die zin dat burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan het Verdrag. Hieruit volgt dat de kantonrechter geheel ten onrechte heeft geoordeeld dat in de beroepsprocedure van de WAHV het Verdrag inzake verkeerstekens de bepalingen van de WVW 1994 c.a. aan de kant kan zetten.

In diverse kringen worden periodiek nominaties uitgedeeld voor wanprestaties. De Vereniging tegen de kwakzalverij reikt jaarlijks de Meester Kackadorisprijs uit. De filmwereld kent de ‘razzie awards’. De juridische wereld deelt helaas nog geen ‘prijzen’ uit voor belabberde beslissingen. Mocht het toch een keer zo ver komen, dan staat voor mij het hiervoor genoemde vonnis van de Noord-Hollandse kantonrechter hoog in de toptien van serieuze kanshebbers voor de hoofdprijs.