VR 2016/51 Over rechtshulp in WAHV-zaken en misbruik van procesrecht

VR 2016/51

 

Over rechtshulp in WAHV-zaken en misbruik van procesrecht

 

Rechtshulp is voor de burger die is verwikkeld in een civiele, bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedure een kostbare aangelegenheid. De tegeltjeswijsheid 'die pleit om een koe, geeft er één toe' is dan ook een terechte waarschuwing richting rechtzoekende om niet te gaan procederen over kleinigheden. In die gevallen is vanwege de kosten ook een positieve beslissing van de rechter immers veelal een Pyrrusoverwinning. Tenzij het gaat om een of ander heilig principe, want die mogen natuurlijk niet worden geofferd door rationele afwegingen.

 

De verkeersboetes van de WAHV horen in het grote geheel van de rechtsorde tot de bedoelde kleinigheden. Voor bedragen die uiteenlopen van enkele tientjes tot enkele honderden euro’s is het voor de gemiddelde burger niet lonend om in de bezwaar- en beroepsprocedure van de WAHV professionele rechtshulp in te schakelen. De gemiddelde advocaat of daarmee vergelijkbare serieuze rechtshulpverlener is voor een procedure met een financieel beperkte inzet gewoon te duur. De burger die het geheel of gedeeltelijk niet eens is met de oplegging van een verkeersboete en gebruik wil maken van de rechtsgang van de WAHV, zal zich dus, eventueel bijgestaan door een juridisch geschoold iemand in zijn sociale omgeving, zelf moeten zien te redden. Dit is niet te veel gevraagd, omdat de aan de orde zijnde feitelijke en juridische kwesties doorgaans eenvoudig, in ieder geval niet al te ingewikkeld van aard zijn. Van belang is bovendien dat de rechtzoekende burger op internet gemakkelijk de nodige informatie kan vinden over de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld, de daarbij in acht te nemen formaliteiten en de eventueel te voeren verweren. Zo bieden de websites van onder meer de rechtspraak, het Openbaar Ministerie, het CJIB en het juridisch loket de nodige informatie over de WAHV-procedure en modelbrieven. Met behulp van dergelijke bronnen is ook de juridische leek wel in staat om zijn bezwaar tegen een opgelegde boete fatsoenlijk kenbaar te maken.

 

Voor een zekere categorie verkeersdeelnemers raakt de oplegging van een verkeersboete aan heilige principes. Verkeersregels worden ervaren als nodeloze beknottingen van de verkeersvrijheid en boetes zijn het resultaat van razzia’s van de politie, niet bedoeld ter bevordering van de verkeersveiligheid, maar alleen – in het gunstigste geval – om de staatskas te spekken, of – in het ongunstigste geval – om automobilisten te pesten. Dan ligt het voor de hand dat tegen iedere boete bezwaar wordt gemaakt. Of dat bezwaar enig hout snijdt, is niet van belang. Ook zinloze verweren zijn in zeker opzicht zinvol, want ‘ambtenaren aan het werk zetten is altijd leuk’.1) Voor deze categorie bezwaarmakers zijn op internet ‘rechtshulpverleners’ te vinden, die voor niets of na betaling van slechts enkele euro’s bereid zijn om als gemachtigde de rechtsgang van de WAHV te bewandelen.

 

Op de site van één van die ‘rechtshulpverleners’ wordt aangegeven wat de te verlenen diensten inhouden: ‘Voor al deze boetes vragen wij het complete dossier op’ en 'Door onze geautomatiseerde termijnbewaking zijn wij in staat relatief snelle beslissingen bij de Officier van Justitie af te dwingen’. Een en ander lijkt een vorm van liefdadigheid: ‘Wij helpen u graag met uw bekeuring, dit kost u verder niets omdat de Officier onze kosten vergoedt’.2) Deze laatste woorden klinken wat vreemd, behalve als wordt bezien wat de werkwijze van deze ‘rechtshulpverlener’ en van zijn soortgenoten in de praktijk betekent. Een vage aanwijzing hiervoor ligt al besloten in de overeenkomst die de betrokkene met de ‘rechtshulpverlener’ afsluit. Onderdeel van die overeenkomst is een cessie van ‘de vordering(en) op de bezwaar- c.q. beroepsinstantie uit hoofde van proceskosten, griffierechten en dwangsommen’ aan de ‘rechtshulpverlener’. Een schets van de werkwijze is niet duidelijker te geven dan met een citaat uit een beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2014:

‘Gelijktijdig met het beroep tegen de initiële beschikking heeft (de gemachtigde van) betrokkene op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van diverse documenten gevraagd om het beroep te kunnen onderbouwen. Dit eerste Wob-verzoek is … gevolgd door ten minste 67 brieven van de gemachtigde, alle met een ander kenmerk, inhoudende onder meer diverse andere Wob-verzoeken (in essentie overigens ziende op dezelfde stukken als het eerste Wob-verzoek) en een stroom aan ingebrekestellingen, dwangsomvorderingen, betalingsverzoeken, herinneringen, et cetera, een en ander – tezamen met de antwoordbrieven, WOB- en dwangsombesluiten – … resulterend in een dossier van circa 705 pagina’s.’

 

In deze praktijk gaat het dus niet meer om de juistheid van de verkeersboete, maar om het zaaien van verwarring en het verstoren van werkprocessen bij het Openbaar Ministerie en de rechter. Als dat lukt, draait dat uit op de uitbetaling van dwangsommen en de vergoeding van proceskosten. En die komen dus ten goede aan de ‘rechtshulpverlener’. Dat het in essentie niet gaat om de verkeersboete, valt ook af te leiden uit de aangevoerde gronden van het beroep. Veelal bestaan die uit volstrekt kansloze en al duizend keer eerder gevoerde – en verworpen – verweren, op een serie standaard niet nader gemotiveerde beroepsgronden, bezwaren tegen administratiekosten, ongefundeerde bezwaren tegen de bevoegdheid van politieambtenaren en tegen geautomatiseerd vastgelegde waarnemingen. Verder worden overeenkomstig de Wob opgevraagde gegevens nooit in de procedure ingebracht en worden overbodige procedures gevoerd, zoals appellen beneden de appelgrens.

 

Diverse kantonrechters hebben getracht paal en perk te stellen aan de beschreven werkwijze, door aan te nemen dat er sprake was van ‘misbruik van procesrecht’. Tot op heden hebben zij daar weinig steun voor mogen vinden bij de hoogste WAHV-rechter in Leeuwarden. Het hof is niet bereid om de gehele werkwijze van de ‘rechtshulpverlener’ te bezien, maar kijkt sterk verkokerd naar enkel de aangevoerde beroepsgronden. Dat het beroep tegen de verkeersboete gepaard is gegaan met een stortvloed aan brieven, verzoeken, aanmaningen etc. neemt het hof voor kennisgeving aan, maar is voor het hof niet relevant, omdat dit ‘los staat van de beroepsprocedure op grond van de WAHV’. Als het hof blijft bij deze studeerkamerwijsheid, zal moeten worden gezocht naar andere wegen om rechtsquerulantisme tegen te gaan. Misschien moet bij ernstig misbruik van procesrecht toch maar eens een proceskostenveroordeling worden uitgesproken ten laste van degene voor wie de ‘rechtshulpverlener’ optreedt. Dan is het vermoedelijk snel afgelopen.

 

Fijnslijper

 

1. Zo valt te lezen op de website van flitsservice.nl.

2. Schrijver dezes heeft zich zeer geamuseerd bij de bestudering van de website van de betrokken 'rechtshulpverlener', want naast de beschrijving van juridische diensten werd uitbundig reclame gemaakt voor viagrapillen en aanverwant materiaal. Dit is toch een wat vreemde vorm van branchevervaging.