VR 2017/131 Verkeersongeval; vervulling voorbehoud; verjaring; bewijs; uitleg dictum.

In 1980 is verweerder betrokken geweest bij een verkeersongeval in Duitsland, waarbij hij letsel aan zijn rechterknie heeft opgelopen. De Duitse verzekeraar heeft aansprakelijkheid erkend. Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars (NBM) heeft de schaderegeling op zich genomen, vertegenwoordigd door Van Ameyde. In 1985 is een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin een voorbehoud is opgenomen voor schade die voortvloeit uit een belangrijke (medische) verandering ten opzichte van een rapport uit 1982. Dit rapport is vervolgens grotendeels verloren gegaan. Vanaf 2007 meldt verweerder toegenomen klachten aan zijn rechterknie. Een orthopedisch chirurg stelde posttraumatische artrose vast. De advocaat van verweerder heeft een stuitingsbrief aan NBM gestuurd en een voorlopig deskundigenbericht verzocht; dit verzoek is door de rechtbank toegewezen. De deskundige concludeert dat de artrose met een grote mate van waarschijnlijkheid voortvloeit uit het ongeval in 1980. Ook merkt hij op dat de deskundige in 1982 waarschijnlijk nog geen (duidelijke) aanwijzingen voor de toekomstige ontwikkeling van artrose zal hebben gezien. NBM stelt in kort geding (1) dat de vordering van verweerder is verjaard en hij geen beroep meer kan doen op het voorbehoud en (2) dat verweerder niet kan bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden van het voorbehoud, omdat het rapport uit 1982 niet meer beschikbaar is. Het hof heeft met betrekking tot (1) geoordeeld dat de twintigjaarstermijn van art. 3:307 lid 2 BW pas is gaan lopen nadat verweerder in 2007 bekend werd met de toename van klachten en het bestaan van de artrose. Met het opnemen van het voorbehoud is immers juist beoogd om de opeisbaarheid van eventuele toekomstige schade afhankelijk te maken van een opschortende voorwaarde. Pas vanaf het moment dat die voorwaarde werd vervuld, werd de schade opeisbaar. Met betrekking tot (2) heeft het hof geoordeeld dat verweerder, gelet op medische informatie die hij heeft overgelegd, ondanks het feit dat de rapportage uit 1982 niet meer beschikbaar is, geslaagd is om te bewijzen dat aan de voorwaarden van het voorbehoud is voldaan. De klachten tegen het arrest van het hof falen. Het hof heeft slechts rechtsgronden aangevuld (en niet de feiten) door de stellingen van verweerder met betrekking tot de opeisbaarheid van de vordering te kwalificeren als een beroep op een opschortende voorwaarde. Het daarop voortbordurende oordeel dat de vordering pas vanaf 2007 opeisbaar werd en dat de verjaringstermijn pas vanaf dat moment ging lopen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel met betrekking tot (2) is feitelijk, niet onbegrijpelijk en kan verder niet worden getoetst. Tenslotte herhaalt de Hoge Raad (vergelijk het arrest van 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:369, VR 2017/5) dat het dictum moet worden gelezen in het licht van de overwegingen, zodat de klacht over een te ruime formulering van het dictum eveneens faalt. De overige klachten worden afgedaan met art. 81 RO.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren