VR 2017/133 Verkeersongeval; verhaal van eigenaar auto op bestuurder; causaal verband.

France Limousin Nederland BV (FLN) was eigenaar van een Lexus die bij de vader van gedaagde in gebruik was. In 2013 was gedaagde als bestuurder van de Lexus betrokken bij een ongeval met een Volkswagen. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt met betrekking tot dit ongeval onder meer dat (1) de Lexus op een voorrangsweg reed en ten onrechte geen voorrang kreeg van de Volkswagen; (2) de botssnelheid van de Lexus tussen de 120 en 150 km/u lag, terwijl de maximale toegestane snelheid ter plaatse 80 km/u was; (3) het alcoholpromillage in het bloed van gedaagde ten tijde van het ongeval ongeveer 0,53 was. In de strafzaak tegen gedaagde heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde weliswaar aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, maar dat dit verkeersgedrag niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Uit onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de Volkswagen de Lexus in het geheel niet heeft opgemerkt, zodat hij ook indien de Lexus met een normale snelheid zou hebben gereden de weg zou zijn opgereden zonder voorrang te verlenen. Ook in die situatie had gedaagde het ongeval niet kunnen vermijden. De Lexus was volledig casco verzekerd. De verzekeraar heeft met een beroep op de zgn. alcoholuitsluiting geweigerd de waarde van de auto aan de curator van de inmiddels gefailleerde FLN te vergoeden. De curator heeft daarop gedaagde aansprakelijk gesteld, omdat hij onrechtmatig zou hebben gehandeld door onder invloed van alcohol en met twee keer de toegestane snelheid een ongeval te veroorzaken. De curator stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van het causaal verband tussen het handelen van gedaagde en het ongeval de zgn. omkeringsregel van toepassing is. Gedaagde heeft immers verkeersnormen geschonden die er juist toe strekken ongevallen te voorkomen. Daarmee is het causaal verband in beginsel gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats. Gedaagde heeft gemotiveerd betwist dat het ongeval een gevolg is geweest van zijn (verkeers-)gedrag. De strafkamer van de rechtbank heeft bovendien juist geconcludeerd dat er geen causaal verband bestaat tussen het onvoorzichtige verkeersgedrag van gedaagde en het ongeval. De curator kan derhalve geen gebruik maken van de omkeringsregel en zal het bestaan van causaal verband 'gewoon' volgens de hoofdregel van art. 150 Rv moeten bewijzen. Hij wordt daartoe in de gelegenheid gesteld. Om proceseconomische redenen bespreekt de rechtbank een drietal verweren van gedaagde reeds nu. De rechtbank komt daarbij tot het oordeel dat aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan, dat bij de schadebegroting de BTW eveneens moet worden meegenomen en dat er geen aanleiding is voor matiging.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren