VR 2017/135 Letsel vrachtwagenchauffeur door in dronken bui op treeplank andere vrachtwagen te klimmen die vervolgens is gaan rijden. 'Vervoerd worden'. Geen overmacht. Wel eigen schuld en billijkheidscorrectie.

Verzoeker is een Poolse vrachtwagenchauffeur. Op 28 mei 2011 bevond hij zich 's avonds op een parkeerplaats, evenals (onder meer) de Roemeense vrachtwagenchauffeur A. In een dronken bui is verzoeker op de treeplank van de vrachtwagen van A geklommen en heeft hij onder meer op de ruiten gebonkt. A heeft geroepen dat hij moest stoppen en is op een gegeven moment weggereden om zich aan de situatie te onttrekken. Een getuige verklaart dat verzoeker daarbij van de treeplank is gevallen. Hij heeft ernstig letsel opgelopen aan zijn onderbenen. Verzoeker heeft de WAM-verzekeraar van A aansprakelijk gesteld op grond van art. 185 WVW, op basis van de stelling dat hij als voetganger is overreden door een motorrijtuig. In de tussenuitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2016:7256) stelde de rechtbank vast dat het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschil. Voorts stelde de rechtbank vast dat verzoeker kennelijk van de rijdende vrachtwagen is afgevallen. Om meer duidelijkheid te krijgen over de toedracht, moet de getuige opnieuw worden gehoord. Blijkens de einduitspraak heeft de getuige verklaard er 100% zeker van te zijn dat het letsel is veroorzaakt door de vrachtwagen. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat art. 185 WVW van toepassing is. Het verweer van de verzekeraar dat verzoeker aan de vrachtwagen hing en daarmee moet worden beschouwd als door het motorrijtuig vervoerde persoon, gaat niet op. In 'vervoerd worden' zit een element van vrijwilligheid dat ontbreekt als iemand wordt meegesleurd. Ook voor overige verkeersdeelnemers was kenbaar dat verzoeker niet de bedoeling had zich door de vrachtwagen van A te laten vervoeren. Met de toepasselijkheid van art. 185 WVW is de aansprakelijkheid van A gegeven, tenzij sprake is van overmacht. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Overmacht is slechts aan de orde als de gemotoriseerde rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Het is weliswaar zeer goed voorstelbaar dat A de situatie als (zeer) bedreigend heeft ervaren, maar een reëel en acuut gevaar voor zijn persoonlijke veiligheid was er objectief beschouwd niet. A heeft daarentegen wel een zeer groot gevaar voor verzoeker in het leven geroepen, door met zijn vrachtwagen te gaan rijden terwijl verzoeker daaraan hing. A is dus aansprakelijk voor de schade van verzoeker. Er is echter wel sprake van een grote mate van eigen schuld. De zgn. 50%-regel moet buiten toepassing blijven wegens aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van verzoeker. Causaal is de verdeling 90-10 in het nadeel van verzoeker. De rechtbank past een billijkheidscorrectie van 10% in het voordeel van verzoeker toe in verband met diens ernstige letsel, als gevolg waarvan hij blijvend arbeidsongeschikt is geraakt. De verzekeraar van A moet derhalve 20% van de schade van verzoeker vergoeden. Ook moet 20% van de kosten van het deelgeschil worden vergoed.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren