VR-kort *

De kosten van de deelgeschilprocedure: enkele suggesties tot normering

Eén onderdeel van de deelgeschilprocedure leidt tot een telkens terugkerende discussie tussen partijen: de omvang van de kosten. Dit houdt verband met het kostenregime van deelgeschilprocedures, dat is neergelegd in artikel 1019aa Rv. Het betreft een voor de benadeelde laagdrempelige kostenregeling, inhoudende dat de deelgeschilrechter deze kosten begroot op alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, die volledig moeten worden vergoed door de aansprakelijke partij. Hiertoe moet worden voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets, zowel het maken van de kosten door de benadeelde als de omvang van deze kosten dient redelijk te zijn.

Wat is redelijk in het kader van buitengerechtelijke kosten?

In deze bijdrage wordt ingegaan op de vraag wat als redelijk kan worden beschouwd in het kader van buitengerechtelijke kosten. Of de gemaakte buitengerechtelijke kosten redelijk zijn, wordt getoetst aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets. De eerste redelijkheidstoets ziet op de vraag of het noodzakelijk is om een deskundige belangenbehartiger in te schakelen. Deze vraag zal in het algemeen niet tot veel discussie leiden. Bij de beoordeling of de gemaakte buitengerechtelijke kosten de tweede redelijkheidstoets kunnen doorstaan, dient de omvang van de schade van benadeelde als één van de in aanmerking te nemen aspecten te worden meegewogen. Daarnaast is het van belang of met betrekking tot het causaliteitsvraagstuk discussie heeft plaatsgevonden.

Hoge Raad 23 december 2016: een voorbehoud van behoorlijk lange duur

De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 een arrest gewezen met als uitkomst dat aan een benadeelde drieëntwintig jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog een beroep toekwam op een in deze overeenkomst gemaakt voorbehoud.

Kansschade: wat zou er zijn gebeurd als de arts...?

Het leerstuk van de kansschade kan worden toegepast in situaties waarin onzeker is of en in hoeverre een op zichzelf staande tekortkoming of onrechtmatige daad ook tot schade heeft geleid. Standaardvoorbeeld is dat van de advocaat die verzuimd heeft tijdig hoger beroep in te stellen.
Ook in kwesties van medische aansprakelijkheid komt het geregeld voor dat onzeker is of, en zo ja, in hoeverre een medische fout tot schade heeft geleid. Stel dat de fout niet zou zijn gemaakt: wat zou er dan – hypothetisch gezien – zijn gebeurd? Vanwege de complexe medische materie is zo’n vraag vaak niet eenduidig te beantwoorden. De leer van de kansschade kan in dat soort gevallen uitkomst bieden, mits blijkt dat in de hypothetische situatie zonder medische fout een reële kans op een beter (behandel)resultaat zou hebben bestaan.

Van stok achter deur tot keurslijf? Een eerste verkenning van het wetsvoorstel tot invoering van een collectieve schadevergoedingsactie

Op 16 november 2016 diende minister Van der Steur zijn langverwachte wetsvoorstel in tot invoering van een collectieve schadevergoedingsactie. Het voorstel kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat op de motie Dijksma, waarvan de opzet er onder meer in bestond het collectieve actieregime van artikel 3:305a BW uit te breiden naar een collectieve schadevergoedingsactie. Het voorstel zou kunnen dienen als ‘stok achter de deur’ om tot een collectieve schikking te komen, waarvoor vervolgens het WCAM-traject kan worden bewandeld.

Pagina's