Smartengeld aan zedenslachtoffers voorspeld: een statistische analyse
F. Augusteijn MSc*, dr. A.K. Bosma**, prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld***, prof. dr. A. Pemberton****
In deze bijdrage wordt een samenvatting gegeven van het artikel ‘The predictability of court-adjudicated compensation for pain and suffering damages within the criminal proceedings and the role of victim labels: A case study on victims of sexual crime in the Netherlands’ dat dit jaar verscheen in het tijdschrift Criminology & Criminal Justice. Hiervoor is een empirisch-juridisch onderzoek uitgevoerd naar de voorspelbaarheid van smartengeld in Nederland. Een dergelijke studie is nationaal nog niet eerder verricht. Internationaal gezien is dit de eerste studie die specifiek kijkt naar slachtoffers van zedenmisdrijven binnen het strafproces, waarbij ook het effect van kenmerken van ‘het ideale slachtoffer’1) op de bepaling van smartengeld is geanalyseerd. Daarmee is niet alleen onderzocht of immateriële schadevergoeding voorspeld kan worden, maar ook welke rol stereotyperingen over seksueel slachtofferschap hierin spelen.
1. Willekeur in de beoordeling van immateriële schade
De voorspelbaarheid van immateriële schadevergoeding is al langere tijd een punt van discussie. Onderliggend hieraan is de onmeetbaarheid van immateriële schade.2) Deze omvat, anders dan materiële schade, al het leed dat niet direct in geld is uit te drukken. Dit kan fysiek letsel zijn variërend van lichte verwondingen tot ernstige, levensveranderende aandoeningen, maar kan ook geestelijk letsel zijn, zoals depressie, angststoornissen of PTSS. Menselijk leed kan niet objectief gemeten of in een getal worden uitgedrukt,3) waardoor de vertaling hiervan naar een schadevergoedingsbedrag een “onvermijdelijk willekeurige taak blijft”.4) Dit brengt gevoelens van ongemak en onzekerheid met zich mee, die terug te zien zijn in het debat omtrent immateriële schadevergoeding.
Belangenbehartigers van slachtoffers signaleren dat er in vergelijkbare zaken verschillende vergoedingen worden toegewezen, en ervaren de bepaling van smartengeld als arbitrair.5) Zo zou volgens Slachtofferhulp Nederland het ene slachtoffer 10.000 euro krijgen en een ander in een soortgelijke zaak 2.000 euro.6) De verschillen zouden zo groot zijn dat er wordt gesproken van “Russische roulette”.7) Daarbovenop werkt het gebrek aan transparantie in de vorm van een motivering van de beslissing gevoelens van willekeur verder in de hand.8)
Rechters geven zelden gedetailleerd inzicht in de overwegingen die hebben geleid tot het toegekende bedrag dat vastgesteld dient te worden ‘naar billijkheid’ (artikel 6:106 BW).9) Dit criterium biedt volgens rechters zelf echter weinig houvast: “we doen allemaal wat we redelijk vinden en redelijkheid is een heel vaag criterium”.10) Zij wijzen naar de wetgever als bron van onvrede: “er is vrij weinig over geregeld. Dat rechters het dan verschillend invullen is niet zo gek”.11) Om consistentie te bevorderen in de beoordeling van vorderingen en rechters te helpen om hun discretionaire bevoegdheid weloverwogen uit te oefenen, heeft de Hoge Raad voorgeschreven dat vergelijkbare jurisprudentie geraadpleegd dient te worden.12) In de praktijk heeft dit echter geen doorslaggevende betekenis omdat immateriële schade sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en de persoon van het slachtoffer.13) Gevalsvergelijking zou daarom slechts een schijnzekerheid oproepen en de beoordeling van vorderingen zou uiteindelijk vooral een gevoelskwestie zijn.14)
Niet alleen belangenbehartigers van slachtoffers hebben hun ongemak bij de vaststelling van smartengeld geuit. Ook binnen de rechtspraak wordt erkend dat deze gebaat zou zijn bij meer inzichtelijkheid en consistentie15) en in de literatuur is meermalen voorgesteld om tot een betere ordening van smartengeldvaststelling te komen.16) In een poging daartoe zijn er hulpmiddelen ontwikkeld om smartengeldbedragen vast te stellen, zoals de Smartengeldgids, de Letselschaderichtlijnen en meer recent de Rotterdamse Schaal.17) De meeste rechters zouden hier gebruik van maken, al zijn dit niet meer dan richtsnoeren en zouden deze ook vraagtekens oproepen.18) Het belang dat aan de rechterlijke onafhankelijkheid wordt gehecht, zou normering in de praktijk in de weg staan.19)
2. Variatie in compensatie: internationaal empirisch bewijs
De kritiek op immateriële schadevergoeding beperkt zich overigens niet tot Nederland. Ook in het buitenland wordt de bepaling van smartengeld beticht van willekeur.20) Anders dan in Nederland, zijn er elders verschillende onderzoeken uitgevoerd om de voorspelbaarheid van smartengeld empirisch te toetsen.21) Uit die studies blijkt over het algemeen dat immateriële schadevergoeding (tot op zekere hoogte) wel voorspelbaar is. Doorgaans wordt gevonden dat de letselcategorie de sterkste voorspeller is: hoe ernstiger het letsel, hoe meer schadevergoeding wordt toegewezen. Binnen de letselcategorieën wordt echter wel variatie aangetroffen wat erop wijst dat nog andere factoren een rol spelen.
Variatie in schadevergoeding kan voortkomen uit verschillen in hoe individuele rechters de schade, ofwel de impact van het delict op het slachtoffer, beoordelen.22) Aangezien de empirische studies laten zien dat immateriële schadevergoeding wel voorspelbaar is en er dus geen sprake is van significante interbeoordelaarsvariabiliteit, lijkt dit te wijzen op een andere bron van variatie. Variatie kan ook voortkomen uit verschillen in beoordeling van ernst of geloofwaardigheid van het slachtofferschap – wat te wijten zou kunnen zijn aan biases naar bepaalde type slachtoffers of contexten van victimisatie.23) Dit zou betekenen dat niet iedereen die juridisch als slachtoffer kan worden aangemerkt ook vanuit sociologisch oogpunt als zodanig wordt erkend.
Slachtofferschap is namelijk een sociaal construct: wie als slachtoffer wordt gezien en wie niet, is geen statisch gegeven maar wordt bepaald door de geldende maatschappelijke normen. Tegelijkertijd bepaalt dit in hoeverre slachtoffers aanspraak kunnen maken op sociale steun, hulp van anderen en op hun juridische rechten. Internationaal onderzoek heeft aangetoond dat dit soort biases een effect heeft op de bepaling van overheidscompensatie voor slachtoffers van zedenmisdrijven.24) Dit laat zien dat maatschappelijke opvattingen over “echt” slachtofferschap kunnen doorwerken in het recht op schadevergoeding en dat slachtoffers in de praktijk mogelijk meer of minder compensatie krijgen afhankelijk van hun situatie of type delict.
3. Seksueel slachtofferschap compenseren en de theorie van ‘het ideale slachtoffer’
Slachtoffers van zedenmisdrijven compenseren voor hun leed is ook geen gemakkelijke opgave. Menselijk leed is niet alleen objectief niet meetbaar, maar dit heeft ook een subjectieve kant: er kunnen situaties zijn waarin we het ongemakkelijk, ongepast of moreel verwerpelijk vinden om bepaalde waarden tegen elkaar af te wegen.25) Dit soort situaties worden taboo trade-offs genoemd, en laten zien hoe morele en culturele waarden invloed hebben op hoe we keuzes maken en zaken waarderen.26) Soms voelen we dat iets te gevoelig is om in termen van geld uit te drukken omdat het een maatschappelijke norm schendt – zoals de uitwisseling van seks en geld.
Het compenseren van slachtoffers van zedenmisdrijven voor hun leed kan daarom morele conflicten bij ons oproepen. Onderzoek toont aan dat als mensen wordt gevraagd om in dit kader een geldbedrag te bedenken, ze dit als ‘verontrustend’ en ‘absurd’ ervaren.27) Zij voelen zich ‘onzeker’ en ‘overweldigd’ als ze zelfs maar proberen te overwegen wat zo’n daad monetair waard is. Ander onderzoek laat zien dat slachtoffers bang zijn dat het vorderen van schadevergoeding hun geloofwaardigheid ondermijnt en dat mensen zullen denken dat ze dit doen omwille van geldelijk gewin.28) Deze angsten lijken niet geheel ongegrond: mensen die deelnemen aan de ruil van seks en geld hebben een grotere kans op afkeuring, uitsluiting en verlies van morele status.29) Slachtoffers van seksuele misdrijven die vergoeding van hun schade vorderen, zijn daarom bij uitstek kwetsbaar voor dit soort sociale sancties.30)
Belangenbehartigers van slachtoffers signaleren ook dat de willekeur in zedenzaken het meest prangend zou zijn en suggereren dat biases hier een aandeel in zouden hebben.31) Het risico dat deze groep slachtoffers loopt op een negatief moreel oordeel, kan worden begrepen in de bredere context van sociale mythes over wat ‘echt’ seksueel slachtofferschap inhoudt. Dit zijn misvattingen en stereotyperingen die bijdragen aan victim blaming en stigmatisering van slachtoffers van seksueel geweld. Voorbeelden hiervan zijn dat verkrachting alleen “echt” is als het plaatsvindt met fysiek geweld, door een onbekende aanvaller, in een donkere steeg, en waarbij het slachtoffer zich hevig verzet. Of de overtuiging dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor de aanval vanwege bepaalde gedragingen, zoals het dragen van ‘uitdagende’ kleding, het drinken van alcohol, of alleen zijn op een afgelegen plek. Het beoordelen van de geloofwaardigheid van slachtoffers van seksuele misdrijven wordt sterk beïnvloed door dit soort mythes.32) Er wordt ook wel gezegd: “for the rape to be real, the victim has to be ideal”.33)
Om te onderzoeken of dit soort biases een rol speelt in de bepaling van smartengeld, hebben we de theorie van het ideale slachtoffer gebruikt. Hiermee liet Nils Christie, een Noorse socioloog en criminoloog, zien dat slachtoffers met bepaalde kenmerken eerder de slachtofferstatus krijgen dan anderen.34) Hij stelde dat het ideale slachtoffer (1) kwetsbaar of zwak is, (2) bezig was met een respectabele of legitieme activiteit voordat zij slachtoffer werd, (3) geen blaam treft voor waar zij zich op dat moment bevond, en (4) niet gerelateerd aan de dader (5) die groot en slecht was. De notie van het ideale slachtoffer wordt nergens belangrijker geacht dan in zedenzaken.35) Ook al is de theorie bijna 40 jaar oud, de beschrijving die Christie toen gaf van een zedenslachtoffer geldt nog steeds. Het hedendaagse verkrachtingsstereotype wordt – net zoals in de jaren ’80 – gezien als de jonge, aantrekkelijke vrouw die door een vreemde wordt aangevallen vanwege haar seksuele aantrekkelijkheid.36) Sinds deze theorie is ontwikkeld, is er veel onderzoek gedaan naar hoe slachtofferschap maatschappelijk gepercipieerd wordt. Daarom hebben we voor de analyse Christie’s werk aangevuld met meer recent empirisch onderzoek naar mythes over seksueel slachtofferschap.
4. Methodologie
4.1. Onderzoeksopzet en dataverzameling
Om inzicht te krijgen in rechterlijke besluitvorming inzake vorderingen tot vergoeding van immateriële schade ingediend door slachtoffers van zedenmisdrijven37), is een systematische rechtspraakanalyse uitgevoerd.38) Hiervoor zijn vonnissen van rechtspraak.nl verzameld waarvan de uitspraak is gedaan in 2021.39) Dit resulteerde in een steekproef van 241 vorderingen. De vonnissen gaven niet alleen inzicht in hoeveel schadevergoeding werd toegewezen, maar ook in kenmerken van het slachtoffer en de context van het slachtofferschap. Alle variabelen die juridisch, theoretisch en methodologisch relevant werden geacht, zijn meegenomen in het onderzoek. Hierin waren we wel afhankelijk van wat genoemd werd in het vonnis. Alle vonnissen zijn blind gescoord en gecontroleerd door twee verschillende onderzoekers. Voor een overzicht van de variabelen, zie tabel 1.

4.2. Ideale slachtoffer-variabelen
‘Kwetsbaarheid of zwakte’ van het ideale slachtoffer is in dit onderzoek gemeten met de variabelen: geslacht, leeftijd, specifieke kwetsbaarheid en bewustzijn tijdens het slachtofferschap. Het ideale slachtoffer van een zedenmisdrijf wordt verondersteld een vrouw te zijn omdat vrouwelijkheid meer met kwetsbaarheid wordt geassocieerd dan mannelijkheid.59) Leeftijd, specifieke kwetsbaarheid en bewustzijn tijdens het slachtofferschap zijn minder eenduidige factoren in de theorie van het ideale slachtoffer. Hierin spelen de seksuele aantrekkelijkheid van het slachtoffer en de mate waarin het slachtoffer er (fysiek) toe in staat is om zich te verzetten, een rol. Zo worden door de mate van seksuele aantrekkelijkheid jongvolwassenen eerder als slachtoffer gezien dan ouderen60), en worden door de mogelijkheden om zich te verzetten jonge kinderen eerder als zodanig erkend dan pubers.61) De seksuele aantrekkelijkheid heeft ook effect op in hoeverre slachtoffers met een fysieke of geestelijke beperking de slachtoffer-status krijgen toegewezen, terwijl zij minder in staat zijn om zich te verzetten dan slachtoffers zonder een beperking. Buiten bewustzijn zijn tijdens de seksuele handelingen zou wel kwetsbaarheid kunnen betekenen in deze context62) maar als dit het gevolg is van consumptie van alcohol of drugs, spreekt dit het kenmerk ‘respectabele of legitieme activiteit’ van het ideale slachtoffer tegen.63) Dit geldt ook wanneer het slachtofferschap plaatsvindt in de context van sekswerk – wat ook wordt gebruikt om dit kenmerk van het ideale slachtoffer te meten.64) ‘Schuldeloosheid’ wordt in dit onderzoek gemeten door de mate waarin het slachtoffer weerstand bood aan de seksuele handelingen. Slachtoffers waarvan niet redelijkerwijs gesteld kan worden dat zij niet instemden met de seksuele handelingen, worden al snel als minder geloofwaardig beschouwd.65) De ‘relatie met de dader’ is onderzocht door te meten of de dader een bekende is en of er sprake was van een eerdere consensuele seksuele relatie.66) Seksueel slachtofferschap binnen relaties is minder overtuigend dan wanneer de dader een vreemde is.67)
Er kan overigens geen strikte scheiding worden gemaakt tussen juridische variabelen en ideale slachtoffer-variabelen. Het viel namelijk op dat in het Wetboek van Strafrecht en de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken kenmerken van het slachtoffer of de context van het slachtofferschap terugkomen die het ideale slachtoffer weerspiegelen. Deze geïnstitutionaliseerde ideale slachtoffer-kenmerken worden meegenomen in de analyse evenals aanvullende theoretische kenmerken. De vraag is nu of deze kenmerken ook de bepaling van schadevergoeding beïnvloeden.
4.3. Analyse
Om de data te analyseren is een regressieanalyse uitgevoerd. Hiermee hebben we onderzocht of toegewezen immateriële schadevergoeding voorspeld kan worden uit deze variabelen en of deze dus in statistische zin met elkaar samenhangen. We hebben een speciale variant toegepast, de Tobit regressieanalyse, die rekening houdt met het feit dat onze uitkomstvariabele zowel vloer- als plafondeffecten heeft. Het minimale wat het slachtoffer kan krijgen is 0 euro en het slachtoffer zal in het kader van de vordering nooit iets moeten betalen. De uitkomstvariabele kan dus niet een negatieve waarde hebben. Het slachtoffer zal ook niet meer schadevergoeding ontvangen dan wat geëist is waardoor de uitkomstvariabele nooit meer zal zijn dan wat gevorderd is.68)
We hebben de regressieanalyse voor twee modellen uitgevoerd. Het eerste model bevatte alleen juridisch relevante variabelen waarvan we redelijkerwijs kunnen verwachten dat deze een rol spelen in de bepaling van smartengeld. Deze variabelen zijn gebaseerd op het Wetboek van Strafrecht en de Oriëntatiepunten van het LOVS. Ook al worden deze variabelen niet expliciet gebruikt bij de bepaling van smartengeld, ze kunnen ons wel vertellen waar zedenzaken juridisch op beoordeeld worden en ze zijn daarom mogelijk informatief voor de raadpleging van vergelijkbare jurisprudentie. Daarnaast hebben we gecontroleerd voor regionale verschillen door de rechtbank mee te nemen als variabele. Het tweede model bevatte naast de juridisch relevante variabelen, variabelen gerelateerd aan het ideale slachtoffer van zedenmisdrijven.
Vervolgens hebben we een likelihood-ratio-test uitgevoerd. Hiermee vergelijken we het model dat de ideale slachtoffer-variabelen gebruikt om smartengeld te voorspellen met het model dat alleen juridische variabelen gebruikt. Als deze test een significant resultaat oplevert, betekent dat dat deze ideale slachtoffer-kenmerken een aanvullende rol spelen bij de voorspelling van de hoogte van het smartengeld.
5. Resultaten
De resultaten van de Tobitregressieanalyse laten zien dat het eerste model – met alleen de juridisch relevante variabelen – een significante voorspelling oplevert (LR χ2=163.53 (df=32), p<0.000).69) Dit betekent dat alle variabelen samen immateriële schadevergoeding prediceren en dat we mogen zeggen dat de hoogte van smartengeld in belangrijke mate uit de kenmerken van de zaak af te leiden is. Binnen dit model zijn er vier variabelen die een significant effect hebben op de hoogte van het smartengeld. De vordering is met voorsprong de sterkste voorspeller: hoe meer er wordt gevorderd, hoe meer er wordt toegewezen. Ook het verweer van de verdediging is een sterke voorspeller: er wordt meer smartengeld toegewezen wanneer de verdediging ervoor pleit (een deel van de) vordering toe te wijzen, of wanneer er geen verweer op wordt gevoerd. Er zijn daarbij beperkte regionale verschillen: alleen het gerechtshof Den Haag wijkt significant af van de andere rechtbanken en gerechtshoven. Dit hof wijst gemiddeld significant meer smartengeld toe; hoe dat komt, is niet meteen duidelijk. Mogelijk wordt daar een ander type zaken behandeld met kenmerken die niet door onze overige variabelen afgevangen worden. Ten slotte wordt er significant meer immateriële schadevergoeding toegewezen wanneer sprake is van een zorg- of afhankelijkheidsrelatie tussen slachtoffer en dader.
De resultaten van de Tobitregressieanalyse laten zien dat het tweede model – nu dus inclusief de ideale slachtoffer-kenmerken – niet verwonderlijk zelf ook een significante voorspelling oplevert (LR χ2=197.56 (df=44), p<0.000).70) De likelihood-ratio-test laat vervolgens zien dat het toevoegen van deze variabelen een significant betere voorspelling oplevert dan het eerste model (LLR = 34.03 (df = 12), p<0.001). De significante predictoren blijven relatief stabiel in vergelijking met het eerste model wat laat zien dat we een robuust model hebben gevonden.71) Binnen het tweede model zijn er vijf juridisch relevante variabelen significant. De vordering is nog steeds de sterkste voorspeller. Het effect van het verweer van de verdediging verandert: alleen wanneer er geen verweer wordt gevoerd, is er een significant verband met toegewezen smartengeld. Er is nog steeds zwak bewijs voor regionale verschillen: alleen het gerechtshof Den Haag wijkt af van de rest. De predictoren die voortkomen uit de oriëntatiepunten voor de strafmaat, wijken af van die van het eerste model – wat wijst op enige multicollineariteit. Dit betekent dat er wat overlap is tussen de voorspellende variabelen. Zorg- of afhankelijkheidsrelatie is niet meer significant, maar geweld toegepast door de dader en bijzonder schadelijke gevolgen wel. Wanneer van beide variabelen sprake is, neemt de toegewezen immateriële schadevergoeding toe. Wat betreft de ideale slachtoffer-kenmerken vinden we twee significante voorspellers. Wanneer het slachtoffer weerstand heeft geboden of wanneer sprake was van een freeze reactie, wordt meer schadevergoeding toegewezen. Wanneer het slachtoffer eerder een vrijwillige seksuele relatie had met de dader, wordt juist minder toegekend.
6. Conclusie en discussie
Met deze studie hebben we onderzocht in hoeverre toegewezen immateriële schadevergoeding voorspelbaar is uit kenmerken van de strafzaak. Ondanks eerder geuite kritiek en zorgen, vinden we dat dat wel het geval is. We vinden dit voor een groep slachtoffers – namelijk die van zedenmisdrijven – waarover zelfs de grootste zorgen waren geuit. Dat we hier geen aanwijzingen vinden voor willekeur, is positief in het kader van een voorspelbare en consistente toepassing van de wet. Dit geldt mogelijk ook voor andere groepen slachtoffers, maar om hier definitieve uitspraken over te kunnen doen, moet nader empirisch onderzoek worden gedaan. We vinden echter ook dat stereotype opvattingen en misvattingen over wat ‘echt’ slachtofferschap van een zedenmisdrijf inhoudt, de voorspelling van de hoogte van toegewezen smartengeld significant verbeteren.
Slachtoffers van wie de wet veronderstelt dat zij niet volledig in staat zijn om vrijwillig of gelijkwaardig toestemming te geven voor seksuele handelingen door hun kwetsbare positie, krijgen significant minder schadevergoeding dan slachtoffers waarbij duidelijker gesteld kon worden dat zij er niet mee instemden. Dit betreft minderjarige slachtoffers72) die een relatie hebben met een volwassene, jeugdigen die betrokken zijn bij sekswerk73) en patiënten en cliënten die een relatie hebben met hun zorgverlener binnen de gezondheids- en maatschappelijke zorg.74) Minderjarigen worden verondersteld niet volledig in staat te zijn om de gevolgen van seksuele handelingen te begrijpen en om weloverwogen toestemming te geven, ook al lijkt hier misschien aanvankelijk wel sprake van te zijn. Jeugdige sekswerkers worden ook door de wet beschermd omdat zij – ondanks dat zij in juridische zin wel meerderjarig zijn – verondersteld worden onvoldoende ontwikkelde cognitieve en emotionele vermogens te hebben om volledig geïnformeerde en vrijwillige beslissingen te nemen over seksuele activiteiten. Het is algemeen bekend dat jongeren die betrokken raken bij sekswerk bijzonder kwetsbaar zijn en vaak onder druk staan door omstandigheden zoals armoede, uitbuiting of manipulatie. Daarom beschouwt de wet sekswerk door jeugdigen als intrinsiek problematisch en schadelijk, ongeacht de vermeende instemming. Dit geldt ook voor degene die werkzaam is in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en een seksuele relatie heeft met een patiënt of cliënt. Wanneer iemand voor iemand anders zorgt en die ander afhankelijk is van deze zorg, kan er een ongelijke machtsdynamiek ontstaan. Dit kan leiden tot situaties waarin de afhankelijkheid van de persoon onder druk kan staan, zelfs al lijkt er instemming te zijn. De strafbaarheid in deze situatie is bedoeld om misbruik van macht en beïnvloeding te voorkomen. Ondanks dat de wetgever deze slachtoffers door hun kwetsbaarheid extra wil beschermen, wordt hun schade door de strafrechter (mogelijk ten onrechte) als geringer ingeschat dan andere slachtoffers met vergelijkbare schade.
Dit geldt ook voor slachtoffers die niet door een specifieke kwetsbaarheid door de wet worden beschermd maar die wel voorafgaand aan het strafbare feit een consensuele seksuele relatie hadden met de dader. Blijkbaar wordt de immateriële schade door strafrechters lager ingeschat wanneer de wil van het slachtoffer in twijfel getrokken kan worden. Tegelijkertijd wordt wel gevonden dat slachtoffers waarbij sprake was van een freeze reactie – een veelvoorkomende automatische reactie op een bedreigende situatie waarbij het slachtoffer verlamd raakt en niet in staat is om actief verzet te bieden – niet significant minder schadevergoeding ontvangen dan slachtoffers die wel in staat tot weerstand waren. Dit is een ietwat geruststellende bevinding omdat zij vaak minder geloofwaardig worden geacht, maar het is zorgwekkend dat andere kwetsbare slachtoffers niet dezelfde mate van erkenning krijgen in de vorm van schadevergoeding. Deze resultaten laten zien hoe percepties van onschuld een rol spelen in de bepaling van smartengeld. Dit raakt aan de verwachting dat het ideale slachtoffer zijn leven zo inricht dat hij risicovolle situaties vermijdt. Deze aanname leidt vaak tot victim blaming, waarbij de schuld voor een misdrijf impliciet of expliciet bij het slachtoffer wordt gelegd in plaats van bij de dader.
Toch blijft overeind staan dat de vordering de sterkste voorspeller is van toegewezen immateriële schadevergoeding. Andere factoren spelen een kleinere of geen significante rol. Dit is niet geheel verrassend gelet op het gegeven dat de immateriële schade vergoed wordt en dat verwacht kan worden dat de vordering hierop gebaseerd is. Dit sluit ook aan bij eerder internationaal empirisch onderzoek en laat zien dat de strafrechter niet op willekeurige wijze tot een beoordeling van schade komt, maar het slachtoffer in de eis volgt. Het gewicht dat de vordering in de voorspelling draagt, benadrukt het belang van rechtsbijstand voor slachtoffers bij het opstellen en onderbouwen van een claim.75) Uit eerder onderzoek blijkt dat zij hier een belangrijke rol in spelen en van grote toegevoegde waarde zijn.76)
Er dient een aantal methodologische beperkingen besproken te worden. Allereerst worden niet alle uitspraken in zedenzaken gepubliceerd op rechtspraak.nl. De vraag is of dit voor een grote vertekening zorgt. We hebben alle gepubliceerde uitspraken in 2021 meegenomen in de analyse, 241 in totaal. In 2021 deed de rechter in 1.310 strafzaken uitspraak in een zedenzaak.77) Dit betekent dat we ruim een zesde daarvan hebben geobserveerd – een substantieel deel van het totaal. Ten tweede waren we beperkt in de kenmerken van het slachtoffer en de context van het slachtofferschap die we konden meten. We waren afhankelijk van de informatie die gegeven werd in de gepubliceerde vonnissen en veel kenmerken die theoretisch relevant zouden kunnen zijn, werden hierin niet genoemd zoals etniciteit, religieuze achtergrond, beroep, sociale klasse of hoe het slachtoffer zich tijdens de rechtszaak of in de media heeft gepresenteerd. Het is mogelijk dat de hoogte van de schadevergoeding nader kan worden verklaard door andere factoren die niet in de analyse konden worden opgenomen. Voor toekomstig onderzoek raden we aan om deze wel op te nemen.
We kunnen concluderen dat rechters – ondanks dat de wetgever hen niet veel richting geeft – bij de beoordeling van vorderingen wel tot consistente beslissingen komen. De ruimte die de wet laat om hierin rekening te houden met individuele omstandigheden, lijkt echter ook ruimte te geven voor de doorwerking van biases in de hoogte van toegewezen schadevergoedingsbedragen. Smartengeld kan voorspeld worden, maar een deel van die voorspelling kan worden verklaard door ideale slachtoffer-kenmerken. We vinden geen aanwijzingen voor de veronderstelde Russische roulette, maar het kan in de praktijk nog steeds zo zijn dat individueel vergelijkbare slachtoffers verschillende schadevergoedingsbedragen krijgen. Over de hele linie vinden we echter geen bewijs voor een claim dat rechters structureel tot zeer uiteenlopende schadevergoedingsbedragen komen. Er kan variatie zijn, maar van willekeur lijkt hier geen sprake.
1. De theorie van het ideale slachtoffer werd in 1986 geïntroduceerd door de Noorse socioloog en criminoloog Nils Christie. Met deze theorie liet hij zien dat er maatschappelijke aannames bestaan over slachtofferschap, en dat deze vooroordelen van invloed zijn op hoe de samenleving reageert op slachtoffers van criminaliteit. Christie formuleerde een aantal kenmerken waaraan een “ideaal” slachtoffer zou moeten voldoen om als waardig te worden beschouwd. Hoe meer een slachtoffer aan deze kenmerken en het stereotype beeld voldoet, hoe groter de kans is dat hij erkenning, sympathie en steun krijgt van anderen. Als een slachtoffer daarentegen hier niet aan voldoet, neemt de kans toe dat hij niet wordt erkend of geloofd. Dit leidt vaak tot victim blaming, waarbij de schuld voor een misdrijf impliciet of expliciet bij het slachtoffer wordt gelegd in plaats van bij de dader. Het concept van het ideale slachtoffer versterkt deze vorm van blaming omdat het suggereert dat slachtoffers een zekere verantwoordelijkheid hebben om zichzelf uit risicovolle situaties te weren.
2. R. Avraham, ‘Estimating pain and suffering damages-paths are many, loss is one’, in: F. Parisi (red.), Oxford Handbook of Law and Economics, Vol. 2, Oxford: Oxford University Press 2017, p. 96-119; M.A. Geistfeld ‘Placing a price on pain and suffering: A method for helping juries determine tort damages for nonmonetary injuries’, California Law Review 1995/83, p. 773-852; J. King, ‘Pain and suffering, noneconomic damages, and the goals of tort law,’ SMU Law Review 2004/57, afl. 1, p. 163-210; R.l. Rabin, ‘Pain and suffering and beyond: Some thoughts on recovery for intangible loss’, DePaul Law Review 2006/55, afl. 2, p. 359-378; M. Radin, ‘Compensation and commensurability’, Duke Law Journal 1993/43, afl. 1, p. 56-86; C.R. Sunstein, ‘Incommensurability and valuation in law’, Michigan Law Review 1994/92, p. 779-861.
3. R. Abel, ‘General damages are incoherent, incalculable, incommensurable, and inegalitarian (but otherwise a great idea)’, DePaul Law Review 2006/55, 253–329; R. Avraham, ‘Putting a price on pain-and-suffering damages: A critique of the current approaches and a preliminary proposal for change’, Northwestern University Law Review 2006/100, afl. 1, p. 87-120; H.J. Bavli, ‘The logic of comparable-case guidance in the determination of awards for pain and suffering and punitive damages’, University of Cincinnati Law Review 2017/85, afl. 1, p. 1-32; H.J. Bavli & R. Mozer, ‘The effects of comparable-case guidance on awards for pain and suffering and punitive damages: Evidence from randomized controlled trial’, Yale Law & Policy Review 2019/37, afl. 2, p. 405-458; F.S. Levin, ‘Pain and suffering guidelines: Cure for damages measurement anomie’, University of Michigan Journal of Law Reform 1989/22, afl. 2, p. 303-332.
4. D. Miers, ‘Offender and state compensation for victims of crime: Two decades of development and change’, International Review of Victimology 2014/20, afl. 1, p. 148.
5. F. Augusteijn, C.C.J.H. Bijleveld, A. Pemberton, ‘De praktijk van slachtofferrechten: de perceptie van professionals. Een exploratief onderzoek naar de naleving van slachtofferrechten’, PROCES 2022, afl. 1, p. 42-43.
6. K. Voskuil, ‘Slachtofferhulp wil motivatie bij toekenning van smartengeld’, Algemeen Dagblad 4 juli 2019.
7. Voskuil 2019.
8. S. van Can, ‘Willekeur in immateriële schadevergoeding?’, NJB 2020/1386, afl. 22.
9. Van Can 2020.
10. R.S.B. Kool, P.W. Backers, J.M. Emaus, F.G.H. Kristen, O.S. Pluimer, D.P. van Uhm & E.M. van Gelder, Civiel schadeverhaal via het strafproces: Een verkenning van de rechtspraktijk en regelgeving betreffende de voeging benadeelde partij, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2016, p. 151.
11. Augusteijn, Bijleveld & Pemberton 2022, p. 42.
12. Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.
13. Kool e.a. 2016, p. 75.
14. Kool e.a. 2016, p. 75.
15. Parket Hoge Raad 22 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:166.
16. S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1998, p. 272; I. Giesen, ‘Normering van schadevergoeding in Engeland: een les voor Nederland?’, NJB 2001, p. 120-123; E.H. Hondius, ‘Schadenormering op Europees niveau’, in: J. Spier en W.A.M. van Schendel (red.): Schadevergoeding: een eeuw later, Bundel opstellen aangeboden aan mr. A.R. Bloembergen, Deventer: Kluwer, p. 83-89; H.J. Snijders, ‘Enige opmerkingen bij rechtsonzekerheid en schade, in: J. Spier en W.A.M. van Schendel (red.): Schadevergoeding: een eeuw later, Bundel opstellen aangeboden aan mr. A.R. Bloembergen, Deventer: Kluwer 2002, p. 120-121; A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss. VU), Ars Aequi Libri, Nijmegen 2002, p. 5; G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2009, p. 12; J.P.H. Donner, S. van der Aa, J.P.M. Lazeroms, S.D. Lindenbergh, A. Pemberton, W.J. Veraart, Op verhaal komen: naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit (Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten, maart 2021); M. Hebly & S.D. Lindenbergh, ’35 jaar smartengeld, tijd voor ordening van bedragen’, in: T. Hartlief, A. Kolder, M. Hebly, S.D. Lindenbergh, & J. W. Sap (red.): Beretrots op 35 jaar LSA: Voordrachten gehouden op het 35e Symposion van de Vereniging van Letselschade Advocaten op 25 en 26 januari 2024, Bpp. 81-122). Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2024, p. 81-122.
17. M. Donkerlo, Smartengeld, Uitspraken van de Nederlandse rechter over de vergoeding van immateriele schade, Den Haag: ANWB 2024; M. Hebly, S.D. Lindenbergh, A. Schreuder & W. Oudijk, De Rotterdamse Schaal: Ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, Rotterdam: Erasmus School of Law 2024.
18. R. Kool & J. Emaus, ‘Actuele opvattingen inzake civiel schadeverhaal via het strafproces’, PROCES 2017/96, afl. 1, p. 14; N. Frenk & C.C. van Dam, ‘Stagnerende smartengeldbedragen’, NJB 2012, p. 2819-2821.
19. Augusteijn, Bijleveld & Pemberton 2022, p. 43.
20. Zie bijvoorbeeld Levin 1989; Geistfeld 1995; Abel 2006; Avraham 2006; 2017; Bavli 2017; Bavli & Mozer 2019; V. Corbett, ‘Does the ‘cap’ fit? Review of developments in the law on general damages’, Tort Law and Litigation Review 2020/2, afl. 1, p. 1-22; S.S. Diamond, M.J. Saks & S. Landsman, ‘Juror judgements about liability and damages: Sources of variability and ways to increase consistency’, DePaul Law Review 1998/48, p. 301-326; M.A. Geistfeld, ‘Due process and the determination of pain and suffering tort damages’, DePaul Law Review 2006/55, p. 331-358; P.V. Niemeyer, ‘Awards for pain and suffering: The irrational centerpiece of our tort system’, Virginia Law Review 2004/90, p. 1401-1421; S.D. Sugarman, ‘A Comparative Law Look at Pain and Suffering Awards’, DePaul Law Review 2006/55, p. 399-434; P.A. Ubel & G. Loewenstein, ‘Pain and suffering awards: They shouldn’t be (just) about pain and suffering’, The Journal of Legal Studies 2008/37, afl. 2, p. 195-216; N. Vidmar, F. Gross & M. Rose, ‘Jury awards for medical malpractice and post-verdict adjustments of those awards’, DePaul Law Review 1998/48, p. 265-300; W.K. Viscusi, ‘Pain and Suffering Damages: In search of a sounder rationale’, Michigan Law & Policy Review 1996, afl. 1, p. 141-177; W.K. Viscusi, ‘The flawed hedonic damages measure of compensation for wrongful death and personal injury’, Journal of Forensic Economics 2007/20, afl. 2, p. 113-135.
21. R.R. Bovbjerg, F.A. Sloan & J.F. Blumstein, ‘Valuing life and limb in tort: Scheduling pain and suffering’, Northwestern University Law Review 1989/83, 908; M.A. Cohen & T.R. Miller, ‘Willingness to award nonmonetary damages and the implied value of life from jury awards’, International Review of Law and Economics 2003/23, afl. 2, p. 165-181; M. Flatscher-Thöni, A.M. Leiter & H. Winner, ‘Pricing damages for pain and suffering in court: The impact of the valuation method’, Journal of Empirical Legal Studies 2013/10, afl. 1, p. 104-119; M. Flatscher-Thöni, A.M. Leiter & H. Winner, ‘Are pain and suffering awards (un-)predictable? Evidence from Germany’, DANUBE 2019/10, afl. 3, p. 199-219; J. Zhou, ‘Determinants of noneconomic damages in medical malpractice settlements and litigations: Evidence from Texas since 1988’, Working paper, 2010.
22. K. Daly & R.L. Holder, ‘State payments to victims of violent crime: Discretion and bias in awards for sexual offences’, The British Journal of Criminology 2019/59, afl. 5, p. 1099-1118.
23. Daly & Holder 2019.
24. Daly & Holder 2019; Miers 2019.
25. E.J. McCaffery, D.J. Kahneman & M.L. Spitzer, ‘Framing the jury: Cognitive perspectives on pain and suffering awards’, Virginia Law Review 1995/81, afl. 5, p. 1341-1420.
26. A.P. Fiske & P.E. Tetlock, ‘Taboo trade-offs: Reactions to transactions that transgress the spheres of justice’, Political Psychology 1997/18, afl. 2, p. 255-297.
27. F.X. Shen, ‘Rape, money, and the psychology of taboo’, Journal of Applied Social Psychology 2013/43, afl. 5, p. 1015-1028.
28. H.F. Antonsdóttir, ‘Compensation as a means to justice? Sexual violence survivors’ views on the tort law option in Iceland’, Feminist Legal Studies 2020/28(3), p. 277-300; R.L. Holder & K. Daly, ‘Recognition, reconnection, and renewal: The meaning of money to sexual assault survivors’, International Review of Victimology 2018/24, afl. 1, p. 25-46.
29. Shen 2013.
30. Antonsdóttir 2020.
31. Augusteijn, Bijleveld & Pemberton 2022, p. 43.
32. M. Randall, ‘Sexual assault law, credibility, and ‘ideal victims’: Consent, resistance, and victim blaming’, Canadian Journal of Women and the Law 2010/22, afl. 2, p. 397-433.
33. H. Bows, ‘The ‘ideal’ rape victim and the elderly woman: A contradiction in terms?’, In: M. Duggan (red.), Revisiting the ‘Ideal Victim’. Bristol: Policy Press 2018, p. 229-241.
34. N. Christie, ‘The ideal victim’, In: E. Fattah (red.), From Crime Policy to Victim Policy: Reorienting the Justice System, London: Macmillan 1986, p. 17-30.
35. Bows 2018.
36. H. Bows & N. Westmarland, ‘Rape of older people in the United Kingdom: Challenging the ‘real-rape’ stereotype’, British Journal of Criminology 2017/57, afl. 1, p. 1-17.
37. Artikel 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248a, 248b, 248c, 248d, 248f, en 249 Sr (oud).
38. Voor meer informatie, zie P. Verbruggen, ‘Methoden van systematische rechtspraakanalyse: Een inleiding tot het veld’, in P. Verbruggen (red.), Methoden van systematische rechtspraakanalyse: Tussen juridische dogmatiek en data science, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 7-26.
39. De dataverzameling werd uitgevoerd in oktober 2021. Alle gepubliceerde uitspraken tot dat moment zijn meegenomen in het onderzoek.
40. Categorieën volgen het wetboek van strafrecht (zie artikelen 244, 245, 247, 248 lid 3, 248a, 248b, 248d, 248f Sr (oud)): <12 jaar, ≥12 en <16 jaar, <18 jaar. Leeftijd van het slachtoffer wordt ook genoemd als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
41. Categorieën zijn: niet toewijzen (afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren), gedeeltelijk toewijzen (en het overige afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren), en geen verweer.
42. Categorieën zijn: man en vrouw.
43. Categorieën zijn: niet toewijzen (afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren), gedeeltelijk toewijzen (en het overige afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren), en toewijzen.
44. Onder kwetsbaar wordt verstaan: slachtoffers die fysiek of psychologisch nadeel hebben vanwege een handicap, beperking, stoornis (zie artikel 248 lid 3 en lid 4 Sr (oud)), of ouderdom. Leeftijd slachtoffer en (andere) bijzondere kwetsbaarheid slachtoffer worden genoemd als strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
45. Categorieën zijn: alle rechtbanken en gerechtshoven. Uiteindelijk kwamen niet alle gerechtshoven voor in de analyse.
46. Artikel 243 en 247 Sr (oud).
47. Categorieën zijn: verkrachting en ontucht.
48. Categorieën zijn: onvrijwillige/ongelijkwaardige instemming, freeze reactie, verbale of fysieke weerstand geboden. De eerste categorie betreft een groep slachtoffers waar ogenschijnlijk sprake lijkt te zijn van instemming maar die door hun kwetsbaarheid geacht worden dit niet vrijwillig of gelijkwaardig te kunnen geven. Het gaat hier om minderjarigen in een relatie met een volwassene, jeugdigen die betrokken zijn bij sekswerk, en patiënten of cliënten die een relatie hebben met een zorgverlener.
49. Categorieën zijn: poging, aanranding, tongzoen, manueel seksueel binnendringen, oraal seksueel binnendringen, vaginale penetratie, anale penetratie.
50. Frequentie en duur worden genoemd als strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren. Zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
51. Artikel 248 lid 2 Sr (oud).
52. Relatiesfeer wordt als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor genoemd, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
53. Dit wordt als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor genoemd, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
54. Dit wordt als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor genoemd, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
55. Artikel 248 lid 1 Sr (oud). Meer daders wordt ook genoemd als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
56. Artikel 248 lid 5 en lid 6 Sr (oud). Geweld (ernst/mate) wordt ook genoemd als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7.
57. Dit wordt als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor genoemd, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7. Voorbeelden die hierbij genoemd worden zijn: ontmaagding, aanzienlijk geestelijk of lichamelijk letsel, besmettingsrisico.
58. Dit wordt als strafvermeerderende en/of strafverminderende factor genoemd, zie Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2021, p. 7. Voorbeelden die hierbij genoemd worden zijn: vrijheidsbeneming, bedreigingen, anale penetratie, penetratie met voorwerpen.
59. Uit onderzoek blijkt dat mannen niet als ideaal slachtoffer van een zedenmisdrijf worden gezien, zie M. Davies & P. Rogers, ‘Perceptions of male victims in depicted sexual assaults: A review of the literature’, Aggression and Violent Behavior 2006/11, afl. 4, p. 367-377; R.A. Reed, J.T. Pamlanye, H.R. Truex & M.C. Murphy-Neilson, ‘Higher rates of unacknowledged rape among men: The role of rape myth acceptance’, Psychology of Men & Masculinities 2020/21, afl. 1, p. 162-167; J.A. Turchik & K.M. Edwards, ‘Myths about male rape: A literature review’, Psychology of Men & Masculinity 2012/13, afl. 2, p. 211-226.
60. Uit onderzoek blijkt dat ouderen niet als ideaal slachtoffer van een zedenmisdrijf worden beschouwd, zie Bows and Westmarland 2017.
61. Uit onderzoek blijkt dat niet alle kinderen als even ideaal worden beschouwd in zedenzaken, en dat dit afhankelijk is van de leeftijdscategorie en de juridische context, zie S. Eelmaa & M. Murumaa-Mengel, ‘Who is worthy of help? Constructing the stereotype of the ‘ideal victim’ of child sexual abuse’, nog niet gepubliceerd.
62. Uit onderzoek blijkt dat het bewustzijn van slachtoffers tijdens het misdrijf een rol speelt in hoe zij gepercipieerd worden, zie H.J. Boux & C.W. Daum, ‘At the intersection of social media and rape culture: How Facebook postings, texting and other personal communications challenge the ‘real’ rape myth in the criminal justice system’, University of Illinois Journal of Law, Technology, & Policy 2015, afl. 1, p. 149-186.
63. Uit onderzoek blijkt dat slachtoffers die onder invloed waren van alcohol of drugs niet als ideaal slachtoffer worden gezien. Zie St. George 2022; Van der Bruggen & Grubb, 2014; A. Grubb & E. Turner, ‘Attribution of blame in rape cases: A review of the impact of rape myth acceptance, gender role conformity and substance use on victim blaming’, Aggression and Violent Behavior 2012/17, afl. 5, p. 443-452.
64. Uit onderzoek blijkt dat sekswerkers niet als ideaal slachtoffer worden gezien. Zie L. Zvi, ‘Police perceptions of sex-worker rape victims and their offenders: A vignette study’, Journal of Interpersonal Violence 2022/37, afl. 15-16, NP14189-NP14214.
65. Uit onderzoek blijkt dat slachtoffers die weerstand boden maar niet sterk genoeg waren om zich los te maken van de dader als ideaal slachtoffer van een zedenmisdrijf worden gezien, en dat slachtoffers die geen weerstand boden minder geloofwaardig worden geacht, zie S. St. George, ‘Perceptions of common rape: how rape myth acceptance, victim gender, and victim resistance affect victim and perpetrator blame attributions in party rape and date rape’, Violence Against Women 2022/28, afl. 14, p. 3505-3529; M. van der Bruggen & A. Grubb, ‘A review of the literature relating to rape victim blaming: An analysis of the impact of observer and victim characteristics on attribution of blame in rape cases’, Aggression and Violent Behavior 2014/19, afl. 5, p. 523-531.
66. Uit onderzoek blijkt dat slachtoffers die de dader kennen als minder ideaal worden gezien, zie E. Sleath & J. Woodhams, ‘Expectations about victim and offender behaviour during stranger rape’, Psychology, Crime & Law 2014/20, afl. 8, p. 798-820.
67. Uit onderzoek blijkt dat slachtoffers die een eerdere relatie met de dader hadden minder als geloofwaardig worden gezien, zie L. Ellison & V.E. Munro, ‘Better the devil you know? ‘Real rape’ stereotypes and the relevance of a previous relationship in (mock) juror deliberations’, The International Journal of Evidence & Proof 2013/17, afl. 4, p. 299-322.
68. Ook al kan dit juridisch via artikel 36f Sr wel, is dit in de dataverzameling niet voorgekomen.
69. Voor een kwantitatief overzicht van de resultaten, zie tabel 2 in het oorspronkelijke artikel in Criminology & Criminal Justice.
70. Idem.
71. Robuustheid verwijst naar de mate waarin een model betrouwbaar blijft onder verschillende omstandigheden, en dus niet gevoelig is voor kleine veranderingen in de modelkeuzes. Dat we hier vinden dat de predictoren relatief stabiel blijven, suggereert dat ze een consistente invloed hebben op de afhankelijke variabele, namelijk toegewezen immateriële schadevergoeding.
72. Artikel 245 en 247 Sr (oud).
73. Artikel 248b Sr (oud).
74. Artikel 249 lid 2 sub 3 Sr (oud).
75. Evenzo moet aandacht worden besteed aan de mogelijke rol die stereotyperingen spelen hierin. Het is niet onmogelijk dat rechtsbijstandverleners ook onderhevig zijn hieraan. Toekomstig onderzoek zou hier meer inzicht in kunnen geven.
76. N.A. Elbers, S. Meijer, I.M. Becx, A.J.J.G. Schijns & A.J. Akkermans, Slachtofferadvocatuur: de rol van de advocatuur in de bijstand van slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (WODC-rapport), 2018, p. 89-91.
77. R.F. Meijer, D.E.G. Moolenaar, R. Choenni & S.W. van den Braak, Criminaliteit en rechtshandhaving 2021, Den Haag: WODC 2021.