VR 2016/126 Overmacht in het verkeer; een zeldzaamheid of toch niet?

VR 2016/126 R. Rutten, V. Oskam, Overmacht in het verkeer; een zeldzaamheid of toch niet?

De aanleiding voor het schrijven van dit artikel vormt een beschikking in deelgeschil d.d. 18 april 2016 waarbij de rechtbank tot het oordeel kwam dat sprake was van overmacht van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer.1) Dit lijkt op het eerste gezicht een uitzondering op de uit de jurisprudentie en literatuur af te leiden ‘hoofdregel’ dat zelden of nooit sprake zal zijn van een geslaagd beroep op overmacht in het verkeer. In dit artikel staan wij stil bij de op dit gebied gewezen jurisprudentie, met daarbij ook een klein uitstapje naar uitspraken van de Geschillencommissie Regresaanspraken Zorgverzekeraars, de hierin te ontdekken lijn en de vraag welke specifieke omstandigheden nu het verschil maken om een beroep op overmacht wel of niet te doen slagen. Hierbij beogen wij geen volledig en uitputtend overzicht van de op dit gebied verschenen jurisprudentie te geven, maar bespreken wij met name de zaken die wellicht enig handvat kunnen bieden om de vraag te beantwoorden in welke situaties men (eerder) toekomt aan een beroep op overmacht.

VR 2016/127 Overschrijden doorgetrokken streep. Overmacht.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”. De betrokkene stelt dat hij als vrijwillige brandweerman een urgentie 1 melding kreeg en snel naar de kazerne moest, in verband met een brandmelding in een bejaardentehuis. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ook een brandweerman die in het kader van hulpverlening onderweg is naar de kazerne, zich aan de verkeersvoorschriften dient te houden. Ontheffing van die verplichting is in het kader van hulpverlening immers voorbehouden aan voorrangsvoertuigen die voldoen aan wettelijk gestelde voorwaarden. Voorts is niet gebleken dat de betrokkene onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof dient het beroep van de gemachtigde van de betrokkene op overmacht in de zin van noodtoestand dan ook te worden verworpen. Nu vaststaat dat de gedraging is verricht en niet gebleken is van omstandigheden die tot het achterwege laten of matigen van de sanctie zouden moeten leiden, bevestigt het hof de beslissing van de kantonrechter.

VR 2016/128 Aanrijding met tram; reflexwerking 185 WVW; geen overmacht.

Op 30 november 2004 heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen automobilist X (appellant) en een tram, waarvan HTM (geïntimeerde) de eigenaar was. Daarbij is appellant tegen de zijkant van de tram aangereden, waarbij onder meer schade aan de auto is ontstaan. Appellant vordert vergoeding van deze schade en stelt daartoe onder meer dat hij bij groen licht de kruising op is gereden, zodat de tram op dat moment rood licht moet hebben gehad en hem derhalve ten onrechte geen voorrang heeft gegeven. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en daartoe onder meer overwogen dat de reflexwerking van artikel 185 WVW in dit geval meebrengt dat appellant de schade aan zijn auto, behoudens door appellant te bewijzen overmacht, zelf dient te vergoeden. Van overmacht was geen sprake, reeds omdat niet aannemelijk is dat appellant de tram niet heeft zien aankomen en omdat een automobilist in de buurt van een tram extra zorgvuldig dient te zijn in verband met de geringe(re) wendbaarheid van een tram. Het enkele feit dat appellant mogelijk door groen licht is gereden doet daar niet aan af, nu ook in dat geval zorgvuldigheid dient te worden betracht en rekening dient te worden gehouden met het gedrag van andere verkeersdeelnemers. Het hof kan zich met dit oordeel verenigen en verwerpt de daartegen gerichte grieven. Daarbij wordt nog overwogen dat de tram kennelijk met geringe snelheid over de kruising reed en dat niet aannemelijk is geworden dat daarbij inderdaad door rood licht werd gereden.

VR 2016/129 Verkeersaansprakelijkheid; geen overmacht; geen eigen schuld.

Bij een wielerwedstrijd in Oostenrijk is X bij een afdaling frontaal op een hem tegemoetkomende auto gebotst, bestuurd door Y (verzekerd bij Generali) die op deze weg (de B176) reed in strijd met het tijdelijke inrijverbod. X nam bij de afdaling de binnenbocht, op de linkerbaan. X heeft het ongeval niet overleefd. Y is in Oostenrijk strafrechtelijk veroordeeld voor dood door schuld, met als strafverminderende factor dat X door op de linkerbaan te rijden eigen schuld heeft gehad aan het ongeval. In de hoofdzaak vorderen de nabestaanden van X van Generali vergoeding van overlijdensschade, waaronder jaarlijkse bedragen van ruim € 63.000. Generali beroept zich in het verweer onder meer op overmacht aan de zijde van Y en op eigen schuld aan de zijde van X. In de vrijwaringszaak vordert Generali veroordeling in vrijwaring van de twee rechtspersonen die de wielerwedstrijd organiseerden. Daaraan wordt onder meer ten grondslag gelegd dat zij de deelnemers onvoldoende hebben gewaarschuwd zich aan de verkeersregels te houden (zoals de verplichting rechts te houden), alsmede dat zij (in strijd met de vergunningsvoorwaarden) het inrijverbod van de weg waarop de wedstrijd werd gehouden onvoldoende kenbaar hebben gemaakt aan verkeersdeelnemers als Y. De rechtbank stelt in de hoofdzaak voorop dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, maar dat het Oostenrijkse recht van toepassing is op de eventuele aansprakelijkheid van Generali. Aan de hand van dat recht moeten dan ook het beroep op overmacht en op eigen schuld worden beoordeeld. Voor een geslaagd beroep op overmacht is naar Oostenrijks recht vereist dat Y de grootst mogelijke nog te vergen voorzichtigheid in acht heeft genomen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op basis van de eigen verklaringen van Y staat vast dat hij van een man in een veiligheidsvest toestemming heeft gekregen de B176 op te rijden, dat hij daar door een politiemotor begeleide wedstrijdfietsers tegenkwam en even later door een politiemotorrijder naar de kant werd gedirigeerd om enkele wielrenners te laten passeren, alsmede dat hij daarna weer is doorgereden en toen nog individuele renners tegenkwam. Ook blijkt uit die verklaringen dat hij in de bochtige en onoverzichtelijke passage waar het ongeval plaatsvond en waar een maximumsnelheid van 100 km/u was toegestaan, stapvoets is gaan rijden. Gelet op deze omstandigheden had Y zich naar het oordeel van de rechtbank het grote gevaar moeten realiseren dat wielrenners zich met maximale snelheid ook op de linkerbaan zouden begeven en dat er dan een ongeval zou plaatsvinden. De vereiste mate van zorgvuldigheid vergde in dit geval dan ook dat hij in deze onoverzichtelijke passage zijn auto op een goed zichtbare plaats aan de kant zou zetten tot hij zich ervan kon vergewissen dat er geen wielrenners meer aankwamen. Van overmacht is daarmee geen sprake. Met betrekking tot de eventuele eigen schuld van X overweegt de rechtbank dat fietsers in beginsel weliswaar rechts moeten houden, maar dat geen sprake was van een normale verkeerssituatie. Blijkens de vergunningsvoorwaarden moest een plaatselijk inrijverbod worden gehanteerd om ongevallen op dit onoverzichtelijke stuk weg te voorkomen. X mocht er vanuit gaan dat hieraan ook de hand zou worden gehouden, zodat hij in beginsel geen tegenliggers hoefde te verwachten. Op zichzelf kan dit anders zijn als X al eerder tegenliggers was tegengekomen, maar dat dit het geval was is niet komen vast te staan. Daarmee is er geen sprake van eigen schuld. Het feit dat de strafrechter rekening heeft gehouden met eigen schuld van X doet daar niet aan af. Naar Oostenrijks recht vestigt een veroordelend strafvonnis geen rechtsvermoedens en regelt het niet de bewijslast. Dat betekent dat de vraag naar de betekenis van het strafvonnis naar Nederlands procesrecht moet worden beantwoord. In dat kader komt aan artikel 161 Rv geen betekenis toe, omdat dit artikel slechts ziet op feiten die door de Nederlandse strafrechter zijn vastgesteld. Dit alles betekent dat de civiele rechter vrij is om het beroep op eigen schuld zelf te beoordelen. Concluderend is er sprake van overmacht noch van eigen schuld. In de vrijwaringszaak oordeelt de rechtbank dat de organiserende rechtspersonen aansprakelijk zijn jegens Generali, nu zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens Y. De rechtspersonen waren blijkens de vergunningsvoorwaarden gehouden een aantal verkeersmaatregelen te treffen, waaronder het posteren van verkeersregelaars en het plaatsen van inrijverbodsborden. Ook wanneer met de rechtspersonen moet worden aangenomen dat er op het cruciale punt inderdaad zo'n bord stond, blijkt uit de door hen overgelegde foto's dat dit bord niet optimaal zichtbaar was voor naderend verkeer. Ook is niet in geschil dat er wel een verkeersregelaar stond, maar dat deze bij het naderen van Y juist bezig was met het verkeer uit een andere richting. De rechtspersonen hadden moeten voorzien dat in deze situatie Y mogelijk niet zou begrijpen dat er een inrijverbod gold. Daarbij is van zwaarwegend belang dat blijkens de verklaringen van de verkeersregelaar al eerder auto's waren gepasseerd zonder dat de verkeersregelaar daar iets aan kon doen. De rechtspersonen hadden, toen duidelijk werd dat de genomen maatregelen niet volstonden, moeten ingrijpen, bijvoorbeeld door een tweede verkeersregelaar te posteren of de wedstrijd te onderbreken. De rechtspersonen hebben door dit na te laten onrechtmatig gehandeld jegens Y. Aan een beoordeling van eventuele eigen schuld aan de zijde van Y komt de rechtbank niet toe. 

VR 2016/130 Ongeval bij gymoefening; geen schending zorgplicht.

Op 9 september 2009 is X, toen leerling van groep 7/8, bij de gymles van het wandrek gevallen waarbij hij letsel aan zijn rechterelleboog heeft opgelopen. De gymdocent (gedaagde 2) heeft hem zijn arm onder de kraan laten houden en hem daarna in de schoolbus met de andere kinderen naar school terug laten gaan. De school heeft de ouders van X verzocht hem te komen ophalen. De huisarts heeft hen vervolgens doorgestuurd naar het ziekenhuis, waar X een gecompliceerde botbreuk bleek te hebben opgelopen waaraan hij ten tijde van het vonnis inmiddels driemaal is geopereerd. Eiseres is de moeder van X en stelt zowel de school als de gymdocent aansprakelijk voor de door X geleden schade. Daartoe voert zij aan dat de gymdocent onzorgvuldig heeft gehandeld door een angstig, zwaar kind met een slechte motoriek tegen zijn zin een gymoefening te laten uitvoeren, terwijl zij onvoldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen ter voorkoming van ongelukken of beperking van de gevolgen daarvan. Voorts had de gymdocent direct na het ongeval een arts moeten inschakelen. De gymdocent is door dit onzorgvuldige handelen aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW. De school is als gevolg daarvan aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW, evenals op grond van artikel 6:162 BW in verband met het betrachten van onvoldoende nazorg. De rechtbank stelt voorop dat de gymdocent bevoegd was en dat de oefening waarbij het ongeval zich voordeed in beginsel geschikt was voor kinderen van de leeftijd van X. Het standpunt dat de oefening desondanks niet geschikt was voor X is onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat X de oefening liever niet wilde doen, maakt niet dat de beslissing van de gymdocent om hem dit toch te laten doen onzorgvuldig was. Het is immers de taak van een gymdocent om een leerling te stimuleren zijn grenzen te verleggen en er zijn geen aanwijzingen dat de gymdocent in dit geval een onverantwoord risico heeft genomen. Ook had de gymdocent op de plaats waar X is gevallen geen matten hoeven neerleggen, nu er bij een correcte uitvoering van de oefening geen risico bestond dat een leerling op die plaats zou vallen. Ten slotte kon de gymdocent op de plaats waar zij stond voldoende toezicht houden en is niet aannemelijk geworden dat zij het ongeval kon voorkomen door fysiek in te grijpen toen X de oefening verkeerd uitvoerde. Daarmee heeft de gymdocent voldoende zorgvuldig en derhalve niet onrechtmatig gehandeld. Voorts kunnen, ook indien ze bewezen zouden worden, de overige stellingen van eiseres evenmin tot aansprakelijkheid van de gymdocent of de school leiden. Gesteld noch gebleken is immers dat de schade beperkt zou zijn wanneer er eerder een arts zou zijn ingeschakeld, of dat X door het ontbreken van nazorg meer (immateriële) schade heeft opgelopen. De vorderingen worden afgewezen.

Pagina's