pag. 172 VR 2008, De kosten van het geschil

VRA 2008, p. 172
2008-06-01
Frits Schirmeister
De kosten van het geschil
19 e LSA-symposion, 25 januari 2008
VRA 2008, p. 172
Frits Schirmeister
Ook dit jaar was het Haagse Kurhaus weer de lokaliteit waar de vereniging van letselschadeadvocaten haar jaarlijkse vergadering en symposion hield. Het stramien was ook als vanouds. De voorzitter van de LSA hield een korte openingstoespraak; vervolgens was het woord aan de dagvoorzitter, die op zijn beurt de volgende sprekers aankondigde en hun betoog van een korte snedige analyse voorzag.
De bedoeling was, zo lezen we in de aankondiging, om het in de ochtend te hebben over de kosten van een geschil op microniveau: wat zijn buitengerechtelijke kosten. Het middagdeel zou de behandeling van de kosten op macroniveau en de immateriële lasten van geschillen over letselschade betreffen: Wat kost de letselschaderegeling de maatschappij?
Over Langstraat , de LSA-voorman kan ik kort zijn. Zijn betoog kwam erop neer dat de advocaat in de regel beter is dan zijn reputatie en dat de LSA haar best doet om haar leden bij de les te houden door een verplichte permanente educatie en - houdt uw hart vast - het houden van audits. Kennelijk vertrouwt men haar leden niet onvoorwaardelijk. Het ware beter het klachtrecht van de klanten en wederpartijen van letselschadeadvocaten eens goed in de steigers te zetten, dan wel uitdrukkelijk aansluiting te zoeken bij de Geschillencommissie advocatuur.
Dagvoorzitter Hartlief liet zich niet onbetuigd en kon het niet laten om de toehoorders op een - overigens aardig - ritje op zijn stokpaard te trakteren. Het aansprakelijkheidsrecht is geen sociale zekerheid. Uit het aansprakelijkheidsrecht valt meer te halen. Het is dan ook de kunst voor het letselschadeslachtoffer om binnen te komen. Dat toelatingsbeleid is niet eenduidig. Het beeld van een loterij dringt zich op. De geluksvogels krijgen meer dan diegenen die tot de sociale zekerheid zijn veroordeeld. Niet voor niets siert op de folder van het congres de beeltenis van een spaarvarken.
Hartlief lijkt zich te beklagen over het toernooimodel van het aansprakelijkheidsrecht en de achterstand die het slachtoffer heeft in relatie tot verzekeraars die immers als 'repeat players' zijn aan te merken. Het kostenaspect baart hem zorgen. Letselschade is 'big business' geworden. De standpunten verharden zich. Men is bang voor afdoening van 'harde zaken' op no cure no pay-basis en wantrouwt aan de andere kant het uurtje factuurtje, want dat gaat gepaard met de bekende vork.
Het betoog van Hartlief, waarvoor ook kan worden verwezen naar diens 'Vooraf' in het NJB van 1 februari 2008, mondt uit in zijn conclusie dat een zak met geld niet meteen alle problemen oplost. Dus minder aan die zak met geld denken en meer aan emotie en directe bevrediging van behoeften. Het lijkt erop dat Hartlief met dit standpunt toch wel ver van de alledaagse praktijk is verwijderd. Veel emoties ontstaan, zo leert de ervaring, niet omdat er geen huishoudelijke hulp wordt aangeboden, maar omdat die niet of slechts marginaal wordt vergoed. Slachtoffers die op behoorlijke - en snelle - wijze schadeloos zijn gesteld, klagen meestal niet en herpakken zich juist vaak in de wetenschap en het besef dat zij het minnelijk traject of de procedure achter zich hebben gelaten en zij zich op de toekomst kunnen richten.
De volgende spreker, Wildeboer , advocaat te Rotterdam, wordt nadrukkelijk als pleitbezorger van de belangenbehartigers naar voren geschoven.
Wildeboer had de taak gekregen om het gehoor nader voor te lichten over de ins en outs van het begrip buitengerechtelijke kosten en de wettelijke regeling daarvan. Terecht constateert hij dat het verschieten van kleur van die kosten, zodra de dagvaarding is uitgebracht en een procedure aanhangig is, voor slachtoffers een slechte zaak is. Aldus blijft een deel van de preprocessuele kosten onvergoed, net als een groot deel van de proceskosten vanwege het gematigd systeem van proceskostenveroordelingen, dat aan de betreffende bepaling, artikel 237 Rv, ten grondslag ligt. Geen nieuws, wel een pijnpunt. Een kwestie die ook niet aan de aandacht van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht is ontsnapt, blijkens de publicatie: de Prijs van het gelijk, Boom Juridische Uitgevers, waarin het verslag van de voorjaarsvergadering van die club is neergelegd.
Wildeboer ontkwam vanzelfsprekend niet aan de bespreking van de laatste ontwikkelingen in de rechtspraak over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, in het bijzonder het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2007, over de invloed van eigen schuld, ES, van het slachtoffer op de te vergoeden buitengerechtelijke kosten. Het ES-percentage tikt door in de verhaalbaarheid van de buitengerechtelijke kosten. Het innemen van een achteraf gebleken onjuist standpunt over de aansprakelijkheid kan het slachtoffer, die ook zelf een causale bijdrage aan het ontstaan van de schade heeft geleverd, dus duur komen te staan. Voor de toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW lijkt slechts een marginale rol te zijn weggelegd. Wildeboer verwijst voor die kwestie naar de bijdrage van Houben in het PIV-bulletin 2007 nr 6.
Wildeboer maakt vervolgens duidelijk, mede aan de hand van de toelichting op artikel 5, dat de PIV-overeenkomst Buitengerechtelijke kosten in gevallen van ES niet steeds voorziet in een deling van de kosten, maar soms een deling als onredelijk aanmerkt, bijvoorbeeld in gevallen waarin de gordelplicht wordt geschonden en in gevallen waarin sprake is van vergoeding van medische kosten. Ook constateert Wildeboer dat in zaken met een niet al te groot belang en ES, de PIV-tabellen gunstig kunnen uitpakken.
De Gedragscode letselschade komt ook ter sprake. Zoals een echte advocaat betaamt, toont Wildeboer zich met de Code en het in die Code aan de buitengerechtelijke kosten gewijde artikel 18, niet gelukkig, omdat die bepaling wel rept van een recht op een behoorlijke vergoeding, maar de - objectieve - criteria om die vast te stellen ontbreken.
De spreker, die ons voorhoudt zelf geen voorstander van normering te zijn, doet wel de suggestie aan de voorstanders daarvan om eens te kijken naar de door de Recova, de club van rechter-commissarissen in faillissementen, opgestelde richtlijnen voor de salariëring van curatoren.
Het verhaal wordt wat zweverig als Wildeboer allerlei omgevingsfactoren een rol wil laten spelen bij de beoordeling van de hoogte van de tarieven. Het is best voorspelbaar dat het kantoor houden in Drenthe wat goedkoper is dan aan de A10, maar het gaat wel wat ver om dat soort verschillen bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten te betrekken. Welke tarieven berekenen de advocaten die voor verzekeraars optreden aan hun opdrachtgevers? Is dat geen mooie richtlijn?
Tot slot nog een te vermelden tip van Wildeboer. Hij pleit ervoor een onderscheid aan te brengen tussen de kosten genoemd in artikel 6:96 lid 2 sub a BW, die in beider belang worden gemaakt en derhalve integraal moeten worden vergoed en die van sub b en c van genoemde bepaling, die aan de dubbele redelijkheid en de ES-korting onderhevig zijn.
De volgende spreker, Lebbing , advocaat te Amsterdam, vond het zelf nogal een twijfelachtige eer om over het onderwerp 'Kwalijke praktijken in de letselbranche te spreken, maar, het moet gezegd, dat ging hem goed en met veel vaart af. Ook wist hij goed de aandacht te krijgen door wat beelden te tonen uit de spraakmakende Zembla-uitzending over de praktijken van een aantal - voormalige - letselschadeadvocaten.
Lebbink wees op de trend in met name de lagere rechtspraak om belangenbehartigers terecht te wijzen die een no cure no pay-overeenkomst met het slachtoffer hebben gesloten en van de wederpartij hetzij via een cessieconstructie hetzij namens het slachtoffer een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten vorderen dan hun cliënt aan hen is verschuldigd. Enerzijds een te billijken uitspraak, je kunt immers niet meer schade vorderen dan je hebt, maar anderzijds onbevredigend aangezien de no cure no pay-afspraak aldus wordt opgevat als een ten voordele van de wederpartij strekkend derdenbeding, iets dat vanzelfsprekend nimmer bij die partijen heeft voorgestaan. Het zou toch zo moeten zijn dat het slachtoffer en de belangenbehartiger met elkaar moeten kunnen afspreken dat als de buitengerechtelijke kosten, met inachtneming van de dubbele redelijkheidtoets, hoger zijn dan het overeengekomen percentage, het meerdere door het slachtoffer van de wederpartij kan worden gevorderd.
Maar goed, terug naar Lebbing. De panacee voor de kwaal die het verbod op no cure no pay heet, is volgens hem de oplossing die het Hof van Discipline in zijn beslissing van 9 februari 1998 heeft aangedragen, nl. een laag, maar kostendekkend, basisuurtarief, met een succesfee in de vorm van een hoog uurtarief, dan wel in de vorm van een gedeelte van de opbrengst van de zaak, quota pars litis. Ter illustratie van hetgeen als een redelijk tarief moet worden aangemerkt, veroorlooft Lebbing zich een uitstapje naar de uitspraak van de Haagse Voorzieningenrechter van 16 februari 2007 in de Goudstikkerzaak. In deze zaak had de aanvankelijk voor een van de partijen optredende advocaat een no cure no pay-afspraak gemaakt, welke door de rechter nietig werd verklaard, maar met toepassing van het bepaalde in artikel 3:42 BW werd geconverteerd in een geldige honorariumafspraak waarbij, naar het voorlopig oordeel van de rechter, kon worden uitgegaan van 5.800 uur à € 325,- per uur met een resultaatsafhankelijke vermenigvuldigingsfactor van 4, die gelet op de complexiteit, het belang van de zaak en het beslag van de zaak op de praktijk van de betrokken advocaat, niet onredelijk is.
Als ik Lebbing goed versta, acht hij een basisuurtarief van € 325,- voor een grote zaak redelijk en pleit hij ook voor een zoete afdruk bij winst, maar laat hij wijselijk de vraag of een uurtarief van € 1.300,- redelijk is in het midden. Best een aardig uitstapje, maar noch illustratief noch voorbeeldig voor de dagelijkse praktijk van de letselschadeadvocaat.
Het door justitie geïnitieerde experiment 'no win no fee' kan niet op veel bijval van Lebbing rekenen. Het voorstel lijkt bedoeld te zijn voor mensen met een moeilijk te winnen zaak, die net te veel verdienen om voor een toevoeging in aanmerking te komen en kan derhalve wat hem betreft niet serieus worden genomen. Niet ten onrechte, want waarom zou een advocaat het risico van no cure no pay willen nemen indien hij slechts bij winst een beperkt hoger uurtarief mag bedingen?
De volgende spreker, Kremer , mocht onder het motto, Discussie over BGK; Verwijtbaar of vermijdbaar?, het standpunt van de verzekeraars over het voetlicht brengen. Kremer constateert dat het gebrek aan normering en richtinggevende rechtspraak op het terrein van de BKK in de praktijk leidt tot jaarlijks 25.000 dubbele redelijkheidtoetsen op dossierniveau. Het blijft daarbij de vraag hoe en wat er wordt getoetst; wat is de relatie tussen het belang van de zaak en de BGK; welke werkzaamheden vallen onder de BGK. In de ogen van Kremer kan de LSA-commissie, die oordeelt over declaratiegeschillen, weinig goed doen, alhoewel de uitspraak 2006, 22, waarin een tarief van € 175,- als redelijk werd aangemerkt, zijn instemming heeft.
De discussie over de BGK is volgens Kremer ongewenst, want deze beïnvloedt het regelingsklimaat en daar koopt niemand wat voor.
De utopische situatie is die waarbij de BGK het honorarium is en die situatie kan volgens Kremer op drie manieren worden bereikt. De eerste is dat de verzekeraar de nota van de belangenbehartiger accepteert, de tweede is die waarbij de belangenbehartiger het verschil laat zitten en de derde is die waarbij de PIV-overeenkomst geldt.
Kremer signaleert de volgende problemen bij de vaststelling van de BGK: welk tarief wordt gehanteerd, wie krijgt wat en de stijging van de tarieven (marktwerking). Problemen die, als we Kremer moeten geloven, bij de toepassing van de immer in ontwikkeling zijnde PIV-overeenkomst tot het verleden zullen gaan behoren.
Gestart in 2004, heeft de PIV-overeenkomst een gestage ontwikkeling doorgemaakt, die ertoe heeft geleid dat deze inmiddels de instemming heeft verworven van Slachtofferhulp Nederland. Dit onder andere door ook de vergoeding van de aansprakelijkheidsdiscussie erbij te betrekken en de zgn. uitrookbepaling voor verzekeraar. Ook zijn de bedragen volgens Kremer gestaag verhoogd.
Het werkt volgens Kremer blijkens de gestage groei van het aantal deelnemers. Kremer schroomt niet een aantal punten van kritiek te noemen, maar wuift deze onmiddellijk weg. De tarieven zijn actuarieel getoetst en zijn weliswaar gemiddelden, maar leiden bij een zekere massa, 15, van zaken tot een juiste uitkomst. De vraag blijft echter wie de bedragen heeft vastgesteld en in hoeverre met de aard en de inhoud van de rechtshulp rekening is gehouden.
Onoverbrugbare obstakels voor advocaten die maar één belang en maar één opdrachtgever kennen. Overigens zijn de verzekeraars best bereid naar kritiek te luisteren, mits maar genormeerd wordt. Desnoods worden ook de gerechtelijke kosten erbij betrokken en komt er een gecombineerde commissie die het allemaal nog eens gaat uitzoeken.
De tot slot door Kremer uitgesproken wens om in 2009 geen discussie meer over de BGK te hebben, zal wel een vrome blijken te zijn.
Faure , hoogleraar aan de Juridische Faculteit van de Universiteit van Maastricht, sprak vervolgens over het schaderegelingsproces vanuit rechtseconomisch perspectief.
De voordracht van deze sympathieke Vlaming leek enigszins in het gedrang te komen door een af te leggen examen Chinees, later op de dag, maar met behulp van het diaprogramma bleef Faure toch goed bij de les.
De titel van de voordracht bleek de lading niet geheel te dekken. Faure deed niet meer dan verslag van een door hem en een tweetal medewerkers in opdracht van het PIV, het Personenschade Instituut Verzekeraars, verricht onderzoek naar de ontwikkelingen op het terrein van de BGK in de laatste jaren, 2001-2006. De achtergrond van dit onderzoek was het bij de verzekeraars levende gevoelen dat de buitengerechtelijke kosten zijn gestegen en dat deze stijging mede het gevolg is van het feit dat deze kosten op het bordje van de verzekeraar worden gedeponeerd.
Om te beginnen wat cijfers. De buitengerechtelijke kosten stegen in de periode 2001-2006 met 24%; de inflatie was in die periode 9,79%; de CAO-index bedroeg 10.82. Hoe deze grotere stijging te duiden?
Advocaten, zo blijkt uit het onderzoek van Faure van 240 door 5 verzekeraars ter beschikking gestelde dossiers, waaruit een aselecte steekproef is gedaan, zijn € 20,- per uur duurder dan letselschadebureaus, maar die laatste hebben een relatief grotere stijging van hun tarieven doorgevoerd.
Niet echt verrassend zijn de bevindingen dat bij schadebedragen onder de € 5.000,- de buitengerechtelijke kosten gemiddeld 86% daarvan bedragen. Immers, ook in die zaken worden uren gemaakt die 'normaal' moeten worden vergoed.
Faure stelt zichzelf een aantal vragen die een verklaring kunnen geven voor de stijging van de BGK. Zijn de kosten nu op niveau? Komt het door de 'fee shifting'-regel, die de BGK uiteindelijk op het bordje van de verzekeraars doen belanden? Is er eigenlijk wel sprake van prijsconcurrentie op dit terrein? En: levert een hoger tarief ook een betere kwaliteit op?
Faure komt tot de conclusie dat er, met name als de aansprakelijkheid eenmaal vaststaat, vanuit economisch perspectief te weinig prikkels zijn om de BGK te reduceren, slechts de dubbele redelijkheidstoets vervult die rol. Dat gebrek wordt mede in de hand gewerkt door het situationele monopolie dat de belangenbehartigers van het slachtoffer hebben. Het antwoord van Faure op die door hem geconstateerde gebrekkige marktwerking is regulering of standaardisering.
Aan het einde van zijn betoog wijdt Faure nog enkele dia's aan de mogelijke betekenis van no cure no pay op de omvang van de BGK. Men beweert wel, zegt Faure, die zich op dit punt enigszins op de vlakte houdt, dat de ncnp-advocaat ernaar zal streven zijn winst te maximaliseren en zijn kosten zal trachten te beperken, hetgeen tot schikkingen tegen lagere bedragen leidt. Dit in tegenstelling tot het uurtarief dat juist niet prikkelt tot een snelle, goedkope schikking.
Ncnp zal het risico van de cliënt naar de advocaat verschuiven. Advocaten zijn volgens hem minder risico-avers dan hun cliënten, maar dat hoeft niet te betekenen dat ncnp tot een claimcultuur leidt, mits er maar voldoende prikkels zijn voor potentiële daders om te investeren in voorzorgsmaatregelen en advocaten hun aan te nemen zaken strenger zullen gaan selecteren ('high quality cases'). Verstandige taal van Faure, die deze onder meer ontleent aan een onderzoek uit 2003 in Florida van een aantal 'medical malpractice'-zaken, waarbij bleek dat het uurtarief het aantal zwakke zaken stimuleerde en tot minder schikkingen aanleiding gaf.
Faure concludeert, en dat wilde zijn opdrachtgever ook vast wel graag horen, dat het verhaal door de belangenbehartigers van de BGK bij de verzekeraars tot de door hem gesignaleerde stijging heeft geleid.
Vervolgens was het de beurt aan Weterings , advocaat te Arnhem, wiens voordracht helaas niet in de bundel was terug te vinden.
Weterings is doende met een vervolgonderzoek van zijn in 1999 gepubliceerde onderzoek naar de transactiekosten van (letsel)schadezaken. Het betreft een aantal interviews met verzekeraars (12) en belangenbehartigers (6). De door hem gesproken verzekeraars zijn samen goed voor 50.000 zaken op jaarbasis. 10% daarvan is puur letsel; 80% is WAM-schade en 10% betreft AVB/AVP-claims.
Van het aantal letselschadezaken betreft 60% licht letsel; middelzwaar letsel is goed voor 30-35% en in 10% is sprake van zwaar letsel. In 60% van alle claims komt er een belangenbehartiger aan te pas. Niet verrassend is dat dit bij zware zaken veel vaker voorkomt. Opmerkelijk is dat slechts in 0,5 à 1% van de zaken tot een procedure leidt. In 10 à 20% van de zaken ontstaat er discussie over de hoogte van de BGK. Het zou dan met name gaan over de hoogte van het uurtarief in relatie tot het belang van de zaak. De PIV-overeenkomst wordt door de verzekeraars positief ervaren, maar zal, zo merkt Weterings terecht op, niet tot een convenant met de LSA-advocaten leiden.
Uit zijn onderzoek blijkt dat de invloed van eigen schuld op de aansprakelijkheid niet wezenlijk is veranderd. Toedrachtonderzoeken vinden met name plaats in AVB-zaken (50%) en in veel mindere mate in WAM-zaken, (1-5%). Wel constateert Weterings dat in WAM-zaken de discussie over ES met ongeveer 5% is toegenomen.
Op het terrein van de medische causaliteit gaat de discussie met name over de moeilijk objectiveerbare aandoeningen. Predisposities zijn goed voor 5 à 10% van de discussies, maar pre-existenties scoren iets hoger: 15-20%.
De discussie over de persoon van de deskundige en de vraagstelling aan deze is kennelijk onder invloed van de IWMD-vraagstelling afgenomen, althans dat concludeert Weterings naar aanleiding van de afname van het aantal medische expertises.
Bij de schaderegeling gaat de meeste tijd zitten in de discussie over de toekomstige arbeidsvermogensschade, (15-20%). Onder invloed van de NPP-richtlijnen is een afname van de discussie over (toekomstige) huishoudelijke hulp en de verloren gegane zelfwerkzaamheid afgenomen. In bijna alle zaken is het smartengeld de sluitpost, waarbij nog al eens gebruikt gemaakt wordt van de formule van € 1.000,- per punt functionele invaliditeit.
Hard of zacht, Weterings constateert dat in 75 à 80% van de zaken waarin mediation is toegepast het traject goed verloopt, mits de mediator maar een specialist is op het gebied van de letselschade. Winst valt volgens hem te behalen door meer inhoudelijke normering, meer procedurele normering, meer aandacht voor de techniek van het onderhandelen en een verbetering van de kwaliteit van de medewerkers van verzekeraars (professionalisering). Ook zou het helpen als er bijvoorbeeld over de wijze waarop whiplash wordt vergoed uniforme afspraken worden gemaakt. Enfin, het wachten is op de definitieve versie van het onderzoek.
De volgende spreker, de immer bevlogen Akkermans , De emotionele kosten van het geschil, luidde de titel van zijn voordracht, pleitte voor een cultuuromslag.
Ook hier een verslag van een uitgevoerd onderzoek, te weten het door Akkermans en anderen in opdracht van het Ministerie van Justitie uitgevoerde onderzoek naar behoeften, verwachtingen en ervaringen van slachtoffers en naasten met betrekking tot het aansprakelijkheidsrecht.
Uit dit onderzoek, gebaseerd op gesprekken met 61 slachtoffers en hun naasten, blijkt dat het de meeste slachtoffers, naast financiële compensatie, ook om immateriële behoeften gaat. Het aansprakelijkheidsrecht schiet vanwege de vrijwel exclusieve focus op financiële compensatie in dit opzicht tekort. Akkermans pleit niet voor afschaffing van het aansprakelijkheidsrecht, maar constateert daarentegen dat juist het aansprakelijkheidsrecht bijzonder geschikt lijkt om aan de immateriële behoeften van slachtoffers tegemoet te komen.
Akkermans blaast en passant het aloude herstelprincipe nieuw leven in: herstel gaat vóór compensatie. Uit zijn onderzoek blijkt dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is dat het onvolkomen vervullen van de immateriële behoeften inderdaad herstelbelemmerend werkt en dat het aansprakelijkheidsrecht op dit punt ernstig tekort schiet in het nastreven van de eigen doeleinden.
Welke zijn dan die immateriële behoeften? Bij het slachtoffer bestaat de behoefte om iemand verantwoordelijk te kunnen stellen, excuses te vragen en te krijgen en erkend te worden in dat wat hem is overkomen. De kille ondertekening van het schadeformulier is onvoldoende om recht te doen aan het feit dat iemand iets buiten de eigen schuld is overkomen. Iemand die iets fout doet, kan niet volstaan met het betalen van de rekening. Excuses maken het traject pas compleet.
Akkermans legt uit dat als het gaat om de psychologische impact van aansprakelijkheidsprocedures er een aantal theorieën bestaat ter aanduiding van (anti)therapeutische effecten daarvan. Het gaat dan om begrippen als 'secundaire victimisatie' en 'secundaire ziektewinst'. In het eerste geval betreft het de negatieve effecten van het letselschadeproces. Het slachtoffer wordt geconfronteerd met een wederpartij die zijn verhaal in twijfel trekt, die hem dwingt tot het geven van openheid over privacygevoelige zaken en die zijn perspectieven met en zonder ongeval anders beoordeelt. Secundaire victimisatie is het ervaren van hernieuwd slachtofferschap als gevolg van het proces. Het slachtoffer loopt een nieuw trauma op als gevolg van een destructieve miscommunicatiespiraal tussen hem en allerlei instanties.
Het schaderegelingsproces kan ook antitherapeutisch werken doordat het verwikkeld zijn in een schaderegelingproces een stimulans vormt om ziek te blijven, de bekende renteneurose. Het gaat dan om een onbewuste neiging van mensen om, geconfronteerd met gewin van financiële of sociale aard, hun symptomen uit te vergroten of tenminste op peil te houden.
Juist de procedure op tegenspraak, het formele karakter (procesregels), hoor en wederhoor, het recht op getuigen en deskundigen geeft volgens Akkermans een slachtoffer de mogelijkheid om ook zijn emotionele behoeften te bevredigen en daarbij heeft hij een streepje voor op procedures in het kader van de sociale zekerheid en gevallen waarin het slachtoffer een vergoeding ontvangt op grond van een zelf afgesloten verzekering. Akkermans haast zich om te melden dat dit natuurlijk ook opgaat in situaties waarin sprake is van een georganiseerde buitengerechtelijke afwikkeling, waarvoor de werkwijze van bepaalde rechtbanken om op meervoudige zittingen van meerdere dagdelen gecompliceerde letselschadezaken te behandelen en het merendeel te schikken, een voorbeeldfunctie kan vervullen.
Kortom, het is niet het aansprakelijkheidsrecht dat niet deugt, de boosdoener is het stroef lopende letselschadeproces dat problemen genereert.
De oplossing van Akkermans is dat zowel op belangenbehartigers als verzekeraars de verplichting rust om zich rekenschap te geven van de emotionele kant van het letselschadeproces. Een meer therapeutische inrichting van dat proces brengt een ruime toerekening van de kosten van artikel 6:96 lid 1 BW mee. Meer concreet doet Akkermans een aantal voorstellen om de informatieverstrekking te verbeteren en op zo'n peil te brengen dat het slachtoffer mogelijk en desgewenst zelf betrokken kan zijn bij de uitvoering van het proces. Akkermans duidt dit aan met de term 'empowerment' van het slachtoffer, waarbij interactieve websites als 'mijn dossier' vorm kunnen geven. Akkermans breekt ook een lans voor een vaste plaats voor persoonlijk contact tussen slachtoffer en wederpartij, teneinde met name de perceptie van de verzekeraar door het slachtoffer te verbeteren.
Tegen een betere bejegening in woord en geschrift van verzekeraars pleit weinig. Akkermans heeft gelijk dat op dit punt van belangenbehartigers ook het nodige mag worden verwacht en dat het eenzijdig hameren op de hoogste geïncasseerde bedragen wel wat minder mag worden en ook aandacht mag worden besteed aan de meer zachtere aspecten van de schaderegeling. Het woord 'casemanager' valt. Prima passend bij een integrale aanpak van de schaderegeling. Wie moet dat worden? De traditionele belangenbehartigers worden meteen afgeserveerd. Te duur. Wellicht iemand, een sociaal werker, die vanuit het kantoor van de belangenbehartiger werkt. Mogelijk en hopelijk dat verzekeraars daar ook iets in zien en de portemonnee zullen trekken en aldus in het gedachtegoed van Akkermans willen investeren.
En toen was het tijd. Er volgde nog een kort dansincident. Een charmante LSA-advocate daagde Kremer uit voor een dansje over de PIV-tarieven. Die riposteerde: 'ik kan niet dansen', waarop Hartlief droogjes opmerkte dat dit geen probleem was omdat die mevrouw klonk alsof ze al snel de leiding zou nemen.
Het was een mooie dag, met een heuse cultuuromslag!