pag. 8 VR 2003, 'Einde van het aansprakelijkheidsrecht'

VRA 2003, p. 8
2003-01-01
Mr M.L.M. Renckens
'Einde van het aansprakelijkheidsrecht'
VRA 2003, p. 8
Mr M.L.M. Renckens
Was het toevallig dat op vrijdag de dertiende (december 2002) de Juridische Faculteit van de Universiteit van Maastricht de doodsklok leek te luiden voor het aansprakelijkheidsrecht? Onder bovenstaande, prikkelende titel werd in dat deel van het land, waar men decennia eerder de mijnen heeft moeten sluiten, een besloten symposium gehouden. Om een antwoord te geven op de vraag: ja, het was toevallig. Vrijdag de dertiende bracht voor het aansprakelijkheidsrecht geen onoverkomelijke malheur met zich mee, gezien de meningen van de meeste aanwezigen. Het zou een mooie uitsmijter zijn geweest in het eerste nummer van dit jubileumjaar van verkeersrecht. Zij dichtten het aansprakelijkheidsrecht in meerdere soms mindere mate nog voldoende waarde toe voor belangrijke maatschappelijke sectoren als arbeid, verkeer en milieu. Rond deze drie terreinen werd het thema in drie simultane workshops in de middag onder voorzitterschap van prof. dr H. Cousy (RU Leuven) aan de order gesteld, nadat het in de ochtend uitvoerig was ingeleid door prof. mr T. Hartlief (UM) en prof. mr S. Klosse (UM).
Onder de titel 'De meerwaarde van het aansprakelijkheidsrecht' hield Hartlief een doorwrocht betoog, waarin hij alle denkbare aspecten van het onderwerp in een samenhangend geheel aan de orde stelde. Daarbij zette hij de functies in de werking van het aansprakelijkheidsrecht genuanceerd af tegen de alternatieven, nl. schadefondsen, directe verzekeringen en in het bijzonder de verkeersverzekering (gekoppeld aan de WAM-verzekering).
Het belangrijkste voordeel van het aansprakelijkheidsrecht is, dat het uitzicht biedt op volledige vergoeding van de schade, omdat het van origine de status quo beschermt en omdat het beoogt zoveel mogelijk de schadelijke gevolgen van de aantasting van de oorspronkelijke toestand weg te nemen. Hij benadrukte echter dat het aansprakelijkheidsrecht meerdere functies heeft. Eén daarvan is de vaak bediscussieerde preventieve werking ervan, die vooral door rechtseconomen aan het aansprakelijkheidsrecht wordt toegedicht, maar niet, op zijn zachtst gezegd, op alle terreinen even effectief is. Wat betreft arbeid en verkeer geeft Hartlief dan ook de voorkeur aan een oplossing buiten het aansprakelijkheidsrecht, omdat de tekortkoming en afwezigheid van eigen schuld, zowel aan de kant van de schadeveroorzaker als het slachtoffer te veel aan betekenis hebben ingeboet, door de hoge mate van slachtofferbescherming. M.b.t. verkeer had Hartlief een belangrijke vraag aan de representanten van de verzekeraars, nl. of smartengeld onder de verkeersverzekering kan worden begrepen. Hun antwoord was bevestigend.
Onder de titel 'Meerwaarde van alternatieven vergoedingsystemen' brak Klosse na Hartlief de lans voor de schadeverzekering als alternatief voor het aansprakelijkheidsrecht, daarbij gedeeltelijk aansluitend bij Hartlief. Het voornaamste voordeel voor slachtoffers zou zijn dat zij slechts de verzekerde schadeveroorzakende gebeurtenis behoeven aan te tonen. Voor verzekeraars zou het twistpunt zijn dat de schade beter te calculeren en te beheersen zou zijn dan bij een aansprakelijkheidssysteem, de verzekering waarvan met toenemende onzekerheid te kampen heeft door oprekking van de aansprakelijkheid door de ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraak. Daar houden verzekeraars volgens mij niet van, hoewel zij nu juist paradoxaal genoeg van de onzekerheid handel maken. Schadefondsen achtte Klosse een minder adequaat alternatief, omdat deze beperktere vergoedingsmogelijkheden bieden. De meerwaarde van een overheidsvoorziening als een schadefonds zag hij in de vangnetfunctie, maar dan wel in één regeling en niet op deelgebieden.
Omdat de workshops in de middag tegelijkertijd werden gehouden, heb ik alleen aan 'verkeer' deelgenomen. De workshops 'arbeid en gezondheid' en 'milieu' zijn ook wat meer aan de buitenkant van Verkeersrecht, hoewel zij wel uiteraard van belang zijn voor de principiële discussie van de dag. Bij alle drie de workshops was de opzet dat na een inleiding door een preadviseur en een reactie van een discussiant de deelnemers hun mening konden inbrengen in de discussie.
Als preadviseur voor 'verkeer' zag prof. mr G.E. van Maanen (UM) in het aansprakelijkheidsrecht vooral een aanvullingsmogelijkheid voor verkeersschade die niet uit een andere bron (sociale en particuliere verzekering) wordt vergoed. Op het tweede niveau zou het vooral van belang zijn als instrument voor reallocatie van kosten. Hij had daarom de voorkeur voor handhaving van het aansprakelijkheidssysteem, maar dan wel in 'Het systeem Van Maanen'. Dat systeem maakt de relatief sterkere verkeersdeelnemer (bijvoorbeeld fietser t.o.v. voetganger en motorrijder t.o.v. bromfietser) in beginsel aansprakelijk (G.E. van Maanen, Het Systeem Van Maanen, RM Themis 1999, blz. 54-56).
De discussiant prof. mr C.E. du Perron (UvA) vond dat Van Maanen de basiszekerheid van het geheel van sociale en particuliere verzekeringen te florissant voorstelde en dat deze als vangnet niet zo voordelig zijn. Directe verzekeringen zouden volgens hem ook niet alle problemen oplossen. Aanpassing van de verkeersaansprakelijkheid zou in de pas moeten lopen met de Europese ontwikkelingen op dit terrein. Daarnaast waarschuwde hij voor een onbalans tussen verkeer en andere terreinen. In feite zou de huidige situatie al nauwelijks meer uit te leggen zijn aan de burger.
Voor de inbreng van de deelnemers aan de workshop restte te weinig tijd om tot een diepgaande uitwisseling van gedachten te komen. Een belangrijke suggestie kwam uit de Belgische hoek: waarom is er niet meer naar de ervaring met het Belgische systeem gekeken?
Na een korte, plenaire rapportage van de workshops sloot prof. mr J. Spier (UM) de boeiende discussiedag af met een kritische noot, een praktisch advies en een 'uitdaging'. ('Handhaving, en zo nodig aanpassing, van het aansprakelijkheidsrecht of het inslaan van nieuwe wegen en het bouwen aan een alternatief?'). De kritische noot betrof de verzekeraars, met name hun bezwaar tegen het uitdijende aansprakelijkheidsrecht vanwege de onbeheersbaarheid ervan. Kom eerst maar eens met de nodige gegevens, luidde zijn boodschap. Zijn praktisch advies was om in het aansprakelijkheidsrecht hooguit knelpunten op te lossen en het niet als een deelterrein van het recht aan te pakken, zeker niet los van de ontwikkelingen in Europa. De werkelijke uitdaging zag hij in een fundamentele verandering van het recht in zijn geheel.
Op zichzelf beschouwd spreken fundamentele veranderingen mij meer aan dan lapmiddelen. Ik zie één duidelijke rode draad lopen door alle discussies over alle alternatieven: vergoeding van de schade van het slachtoffer. Wij bevinden ons in de overgang van dadergericht naar slachtoffergericht rechtsdenken, om het kortheidshalve maar zo samen te vatten. Wij zijn m.i. echter over de helft. Dat houdt in dat wij een overgangssysteem zouden moeten hebben dat hierbij past, bij voorkeur één systeem dat op alle deelterreinen is terug te vinden, duidelijk herkenbaar voor daders en slachtoffers. Te denken valt aan een basisvoorziening die aanzienlijk meer biedt dan een bijstandsuitkering maar anderzijds ook niet de volledige vergoeding van de concrete schade behoeft in te houden. Het is mij in dit globale idee om het even in welke vorm deze collectieve voorziening gegoten wordt (wettelijk verplichte private verzekering; volksverzekering of schadefonds).
Het aansprakelijkheidsrecht zou dan echt het aanvullend karakter kunnen krijgen dat Van Maanen het nu al geeft: namelijk door vergoeding van de niet-gedekte schade (bijvoorbeeld 25% inkomensschade, smartengeld en ongewone risico's). Daarbij zouden de aansprakelijkheidsgronden weer moeten inkrimpen, misschien zelfs zodanig dat gangbare feiten die niet als gevaarlijk of zelfs roekeloos gedrag kunnen worden gekwalificeerd, ook buiten beschouwing blijven.
Het regres kan en moet in dit systeem worden afgeschaft. Ik ben trouwens nooit zo geporteerd geweest van het argument van reallocatie van kosten. Er wordt ook niet meer het onbegrijpelijke verschil gemaakt tussen bijvoorbeeld een slachtoffer dat van een ladder is afgevallen en een fietser die door een eigen verkeersfout onder een auto komt.
Middelen ter bevordering van normconform en risicomijdend gedrag zouden, net als overigens nu het geval is, ergens anders gezocht moeten worden dan in het aansprakelijkheidsrecht.
Dit zou mijn denkrichting zijn in de zorgzame samenleving van een welvaartsland. Het aansprakelijkheidsrecht blijft voorlopig overeind, zij het wellicht weer meer zoals het ooit bedoeld is geweest. Gelukkig maar, want anders zouden we niet zulke boeiende en Bourgondische symposia als die in Maastricht hebben.