Een vereenvoudigd en gemoderniseerd bewijsrecht: wat er is veranderd
Het zal de meesten niet zijn ontgaan dat op 1 januari 2025 de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (hierna: Wvmb) in werking is getreden. De Wvmb beoogt kortweg bij te dragen aan een efficiënt verloop van civiele procedures. Zo is verduidelijkt welke mogelijkheden partijen hebben om vooraf en tijdens een civiele procedure informatie te krijgen en welke ruimte de rechter heeft voor het bespreken van informatie met partijen. Omdat de (komst van de) Wmvb tot dusver weinig aandacht in Verkeersrecht heeft gekregen, verzocht de redactie mij om de belangrijkste onderdelen van deze wet te bespreken. Andere auteurs in andere tijdschriften gingen mij in het afgelopen jaar al voor.1)
Mr. A.N.L. de Hoogh *
Introductie Wvmb
De belangrijkste onderwerpen uit de Wvmb zijn de rol van de rechter, het inzagerecht (194-195a Rv), de voorlopige bewijsverrichtingen (194-204 Rv), het getuigen- en deskundigenbewijs tijdens de procedure (163-192 Rv) en het bewijsbeslag en proces-verbaal van constatering (205-207 Rv). Het is goed om te weten dat de regels over de bewijslast(verdeling) zelf niet zijn veranderd. Wat er ook niet is veranderd, is artikel 21 Rv. Aanvankelijk was het voorstel om in artikel 21 lid 2 Rv een preprocessuele bewijs(verzamel)plicht op te nemen. Partijen zouden dan gehouden zijn om voordat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd, de gegevens te verzamelen waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken en die redelijkerwijs voorzienbaar van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. Dit voorstel stuitte op de nodige kritiek, met name omdat het veel weg had van een Angelsaksische pre-trial discovery en disclosure en het maar de vraag was of dit uiteindelijk in het belang van partijen en de rechtspraak was. Uiteindelijk heeft het voorstel het niet gehaald door het amendement Ellian-Sneller waardoor artikel 21 Rv ongewijzigd is gebleven. 2) Wat wel een kleine wijziging is, is dat een eisende partij nu verplicht is om in de dagvaarding, als aanzegging, te wijzen op de verplichting van artikel 21 Rv – en overigens ook de werking van 149 Rv – (artikel 111 lid 2 onder m Rv). Verder is het overgangsrecht relevant om te benoemen. De Wvmb is namelijk alleen van toepassing op de procedures die op of na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is gestart, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd (artikel XIIA Wvmb).
Rol van de rechter
Met de modernisering van het procesrecht in 2002 maakte het klassieke uitgangspunt van de lijdelijke rechter al plaats voor een actievere rol van de rechter bij de procesvoering en de waarheidsvinding.3) En die trend wordt met de komst van de Wvmb doorgezet. Volgens de wetgever vraagt effectieve rechtspraak om een actieve houding van de rechter bij de bespreking van het geschil met partijen in plaats van een meer afwachtende houding.4) De actievere rol van de rechter komt dan ook enkele keren terug in de Wmvb. De komst van artikel 24 lid 2 Rv is één van de opvallendste nieuwkomers. Met dit lid is de bestaande praktijk wettelijk verankerd dat de rechter bevoegd is om binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer te bespreken. De rechter voert dus de regie om de grondslag zoveel mogelijk in overeenstemming met het materiele recht op tafel te krijgen.5) En dat is volgens de wetgever wenselijk omdat dit actief kan bijdragen aan de materiële waarheidsvinding.6) Maar het bespreekbaar maken van de grondslag kent wel zijn grenzen, want het is volgens de wetgever niet de bedoeling dat de rechter gaat meeprocederen. De rechter mag alleen het partijdebat bijsturen. Zo heeft de rechter de ruimte om aan de hand van de stellingen en het overlegde bewijsmateriaal vragen aan partijen te stellen (bijvoorbeeld over bepaalde inconsistenties of onduidelijkheden) en inlichtingen van hen in te winnen.7) En de rechter mag ook ambtshalve een beroep of verweer aan de orde stellen, maar alleen als dat in het processuele debat van partijen besloten ligt.8) Het ambtshalve aan de orde stellen van een verjaringsverweer of een eigen-schuld-verweer mag dus als daarop impliciet een beroep is gedaan. Is dat niet het geval, dan mag de rechter daarover ook niet beginnen. Verder heeft de rechter met het gewijzigde artikel 22 Rv meer regie en flexibiliteit gekregen bij de beoordeling van de vraag of een weigering van een partij om aan het bevel van de rechter te voldoen of de voorwaarde van beperkte kennisneming door alleen de rechter, gerechtvaardigd is.9) Artikel 22 lid 4 t/m 7 Rv bevatten nieuwe procedurevoorschriften voor het omgaan met het verzoek om informatie geheim te mogen houden of alleen met de rechter te mogen delen.
De actievere rol van de rechter komt ook terug in artikel 120 lid 4 en 128 lid 5 Rv. Als een partij namelijk onder het huidige recht niet voldoet aan de substantiëringsplicht of de bewijsaandraagplicht, dan kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Anders dan voorheen mag de rechter dus een sanctie treffen, zoals het bevel om ontbrekende gegevens alsnog in te brengen of een veroordeling in de proceskosten die zijn veroorzaakt door inefficiënt procederen of door andere vertragingstechnieken (zoals het bewust achterhouden van bepaalde gegevens).11) Maar dat doet dus vermoeden dat een rechter alleen zal sanctioneren als een partij het echt behoorlijk bont heeft gemaakt. Verder komt de actievere rol ook terug in artikel 166 Rv over het getuigenbewijs en in artikel 196 Rv over de voorlopige bewijsverrichtingen. Deze aspecten bespreek ik in par. 4 en 5.
Het inzagerecht
Het huidige inzagerecht is geregeld in artikelen 194, 195 en 195a Rv en zij vervangen de oude artikelen 843a en 843b Rv. Met het huidige inzagerecht is het voor partijen een stuk eenvoudiger geworden om (potentieel) relevante informatie te kunnen verkrijgen. De huidige regeling beoogt te waarborgen dat tussen partijen geen informatieasymmetrie bestaat die inbreuk maakt op het beginsel van een eerlijk proces, waarvan de equality of arms deel uitmaakt.11) Een inzageverzoek is zelfs nu zonder tussenkomst van de rechter mogelijk als aan de voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv wordt voldaan. Het inzagerecht wordt namelijk niet langer gezien als een ultimum remedium; het is volgens de wetgever juist een goedkoop, eenvoudig, snel en betrouwbaar alternatief voor bijvoorbeeld een getuigenverhoor of een deskundigenbericht.12) Dat heeft erin geresulteerd dat als aan de voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv is voldaan, degene aan wie het verzoek is gericht op grond van artikel 194 lid 2 Rv verplicht is de gegevens te verstrekken. Dat is alleen anders als er een verschoningsrecht is of gewichtige redenen zich daartegen verzetten, bijvoorbeeld omdat het gaat om vertrouwelijke stukken.13)
De komst van het wat laagdrempelige artikel 194 Rv doet vermoeden dat er veel inzageverzoeken buiten rechte zullen worden gedaan. Of dat inmiddels ook de praktijk is, kan ik niet goed beoordelen. Maar voorstelbaar is wel dat wanneer partijen al met elkaar in geschil zijn, zij ook (sneller) in discussie zullen raken over de vraag of aan het inzageverzoek moet worden voldaan. Dus of er momenteel buiten rechte daadwerkelijk met succes inzageverzoeken worden gedaan, is wat mij betreft maar de vraag. Hoe het ook zij, als degene aan wie het verzoek is gericht, niet aan het verzoek voldoet, dan kan het inzagerecht in rechte worden afgedwongen op grond van artikel 195 lid 1 Rv. Het niet voldoen aan het verzoek kan dan mogelijk ook als onrechtmatig handelen worden aangemerkt. De voorwaarden van het inzagerecht zijn neergelegd in artikel 194 lid 1 Rv. De verzoeker moet een partij bij de rechtsbetrekking zijn wat ruim wordt opgevat, het moet gaan om bepaalde gegevens, er moet een “voldoende belang” zijn (en dus niet meer een “rechtmatig belang” zoals onder het oude recht gold) en de aangezochte partij moet over de gegevens beschikken. Uiteraard zijn fishing expeditions nog altijd niet toegestaan. Het is dus aan de verzoeker om zowel de aanspraak als het ontstane of potentiële geschil voldoende nauwkeurig naar voren te brengen alsook het verband daartussen.14) Gebeurt dat niet (voldoende), dan moet het verzoek dus worden afgewezen.
Het inzagerecht kan op verschillende manieren in rechte worden afgedwongen. Bij wijze van voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 Rv; zie hierna par. 4), in geval van spoed door middel van een kortgeding (197 lid 1 Rv) of – hangende een procedure – door het verzoek op te nemen in de dagvaarding, het verzoekschrift of in een afzonderlijke conclusie (of ingeval van de verweerder in zijn conclusie van antwoord of verweerschrift of later bij incidentele conclusie). Interessant is de vraag of het inzageverzoek in kortgeding kan worden gedaan tijdens een lopende procedure. Dit omdat dit kortgeding is geregeld in artikel 197 lid 1 Rv (en dus in de paragraaf over de voorlopige bewijsverrichtingen) en artikel 196 lid 1 Rv bepaalt dat een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting niet tijdens een aanhangige procedure kan worden gedaan (zie ook hierna par. 4). De Voorzieningenrechter Amsterdam heeft deze vraag inmiddels bevestigend beantwoord15) en dat lijkt mij ook de meest logische uitkomst. Verder volgt uit artikel 195a Rv dat het inzageverzoek ook kan worden gericht tot een derde die over de gegevens beschikt (artikel 195a Rv). Dat kan dan alleen in de lopende procedure tussen de verzoeker en de wederpartij van verzoeker door middel van het uitbrengen van een afzonderlijk verzoek dat zich richt tot deze derde. De derde wordt geen partij in de lopende procedure. De derde kan uiteraard wel verweer voeren en zal ook door de rechter worden gehoord, in het bijzijn van de verzoeker en de wederpartij van de verzoeker (artikel 195a lid 2 Rv).16) De artikelen 194 en 195 zijn overigens van overeenkomstige toepassing.
Voorlopige bewijsverrichtingen
Om de efficiëntie bij het verzamelen van informatie in de fase voorafgaand aan en tijdens de procedure te bevorderen, zijn de verschillende bewijsverrichtingen (lees: het voorlopig getuigenverhoor, het voorlopig bericht of verhoor van deskundigen, de plaatsopneming/bezichtiging en het inzageverzoek) samengevoegd tot één regeling.17) Op grond van artikel 196 Rv kan een partij in één verzoek vragen om één of meerdere bewijsverrichtingen, waaronder dus ook het inzageverzoek. Een benadeelde van een verkeersongeval kan dus nu ten behoeve van de aansprakelijkheidsvraag in één verzoek vragen om 1) getuigen van het ongeval te laten horen, 2) de plaats van het ongeval met de rechter te bezichtigen, 3) een kopie van de opname die de dashcam van de aangesprokene heeft gemaakt van het ongeval 4) een ongevallenanalist als deskundige te benoemen voor de beoordeling van de toedracht. De ruimte voor de rechter om dit soort verzoeken af te wijzen, is beperkt. Het verzoek moet namelijk worden toegewezen, tenzij sprake is van een afwijzingsgrond van artikel 196 lid 2 Rv.18) De rechter heeft daarbij wel de taak gekregen om te beoordelen – in het kader van de actievere regievoering – welke vorm van bewijsverzameling het meest passend c.q. het minst bezwaarlijk is.19) Dus als met behulp van een inzageverzoek de videopname van de aanrijding wordt verkregen waardoor de toedracht van aanrijding is komen vast te staan, dan kan het zijn dat de rechter het verzoek om een (groot) aantal getuigen te laten horen over diezelfde aanrijding, niet passend of juist bezwaarlijk acht. Het verzoek zal dan worden afgewezen wegens een gebrek aan belang.20)
Een tip aan de praktijk is om de vereisten waaraan het verzoek moet voldoen, nog even na te lopen. Deze vereisten zijn neergelegd in artikel 197 lid 2 en 3 Rv. De meeste vereisten zijn niet gewijzigd, maar nieuw is bijvoorbeeld dat het verzoek – op straffe van niet-ontvankelijkheid – een kernachtige omschrijving moet bevatten van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft. Dit vormt een extra waarborg tegen mogelijke fishing expeditions en tegen moeizame en tijdrovende behandelingen van ongestructureerde verzoeken door de rechter.21) Verder is nieuw dat de verzoeker van een voorlopig deskundigenbericht of -verhoor de naam en hoedanigheid van de deskundigen die hij op het oog heeft, moet vermelden in het verzoek (artikel 197 lid 3 onder b Rv). Een andere belangrijke verandering betreft het moment tot wanneer een verzoek om bewijsverrichtingen kan worden gedaan. Dat kon onder het oude recht ook tijdens een aanhangige procedure. Maar dat is thans op grond van artikel 196 Rv niet meer mogelijk. Het verzoek kan namelijk alleen worden gedaan zolang een procedure over een geschil nog niet bij de rechter aanhangig is gemaakt of, als een procedure al aanhangig is gemaakt, zolang de zaak nog niet op de rol is ingeschreven.22) Deze regel geldt ook voor hoger beroep. Dus mocht een partij na de uitspraak in eerste aanleg een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting willen doen, dan is dat mogelijk tot de inschrijving van de zaak op de rol van het hof.23)
Wat in dit kader mogelijk nog niet echt is uitgekristalliseerd, is hoe de voorlopige bewijsverrichtingen zich verhouden tot een gestarte deelgeschilprocedure. Want wat nu als de benadeelde een deelgeschilprocedure tegen de WAM-verzekeraar start en de WAM-verzekeraar kort daarop nog een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht indient. Is dat verzoek van de WAM-verzekeraar dan niet-ontvankelijk? Het begrip “aanhangig” van artikel 196 Rv doet wellicht ook vermoeden dat dit alleen ziet op dagvaardingsprocedures, juist ook omdat de wetgever voor dit begrip expliciet verwijst naar artikel 125 Rv.24) Maar artikel 284 lid 1 Rv bepaalt dat de regels van het bewijsrecht – en dus ook artikel 196 Rv – ook van toepassing zijn op verzoekschriftprocedures, zoals de deelgeschilprocedure. Zo bezien, lijkt het er dus op dat een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting niet mogelijk is als er al een deelgeschilprocedure is gestart. Ik heb met deze (dogmatische) opvatting wel wat moeite. Want bewijslevering in deelgeschil is, zoals bekend, (nagenoeg) niet mogelijk. Dus als het verzoek in deelgeschil zich niet leent voor behandeling in deelgeschil omdat nadere bewijslevering noodzakelijk is, dan is het toch ook wel wat inefficiënt als het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting in de tussentijd niet-ontvankelijk wordt verklaard, louter omdat er eerder al een deelgeschilprocedure was gestart. Of moet het verzoek om de voorlopige bewijsverrichting in dat geval (ambtshalve) worden aangehouden in afwachting van de uitkomst in het deelgeschil? Ik ben benieuwd hoe dit formele aspect in de praktijk gaat uitpakken.
Onder het oude recht kon de rechter na een voorlopig getuigenverhoor op verzoek of ambtshalve een mondelinge behandeling bevelen. Deze regel geldt nu voor alle bewijsverrichtingen (artikel 199 lid 2 Rv). Het is dus mogelijk dat na een inzageverzoek, een getuigenverhoor en/of een deskundigenbericht nog een mondelinge behandeling wordt gelast om te bezien of een schikking kan worden getroffen, of er nadere inlichtingen moeten worden gegeven of dat de verdere wijze van behandeling van het geschil moet worden besproken. Tijdens die mondelinge behandeling gemaakte afspraken kunnen dan in een proces-verbaal worden vastgelegd (artikel 199 lid 3 Rv). Gelet op de hoge werkdruk van de rechtspraak is het overigens maar de vraag hoe vaak de rechter in de praktijk deze mondelinge behandeling ambtshalve zal bevelen. Maar dat zo een mondelinge behandeling in sommige gevallen in een enorme behoefte kan voorzien, lijkt mij evident.
Verder is er nog een wijziging op het gebied van de rechtsmiddelen. De partij die zijn verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen of een plaatsopneming/bezichtiging zag worden afgewezen, kon onder het oude recht nog een rechtsmiddel tegen deze afwijzing instellen. Onder het huidige recht staat er in beginsel geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt (artikel 200 lid 2 Rv). Bepaalt de rechter anders, dan nog even opgelet, want de termijn voor het instellen van deze hogere voorziening is namelijk vier weken en dus niet drie maanden zoals onder het oude recht gold.25) Het inzagerecht kent overigens op grond van 200 lid 1 Rv een andere rechtsmiddelenregeling. Tegen de beslissing op het inzageverzoek kan namelijk altijd hoger beroep worden ingesteld, en wel binnen vier weken van de dag van de uitspraak.
Wat in mijn optiek nog een interessante vraag is, is of door de komst van de Wvmb (en meer specifiek: het versoepelde inzagerecht) de Patiëntenkaartbeschikkingen26) uit 2008 achterhaald zijn. In deze beschikkingen overwoog de Hoge Raad dat inzageverzoeken voor het verkrijgen van ontbrekende medische informatie, niet als nevenverzoek tijdens de procedure van het voorlopig deskundigenbericht kunnen worden gedaan. Het is volgens de Hoge Raad uitsluitend aan de deskundige om te bepalen welke medische informatie voor het onderzoek moet worden aangeleverd; voor inzageverzoeken is dus geen plaats. Maar is deze rechtsregel uit 2008 door de komst en het beoogde doel van de Wvmb nog altijd houdbaar? Want hoe zit het in situaties waarin vaststaat dat er meer (potentieel) relevante medische informatie is of moet zijn, maar de benadeelde weigert om die informatie aan de aangesprokene te verstrekken? Zouden inzageverzoeken in dit soort situaties niet alsnog mogelijk moeten zijn, nu het inzagerecht niet langer geldt als een ultimum remedium en dit bovendien in het belang is van de materiele waarheidsvinding? Ik meen van wel. Uiteraard zijn fishing expeditions nog altijd niet toegestaan en om dit te voorkomen kan het inzageverzoek zorgvuldig op proportionaliteit27) door de rechter worden beoordeeld. Voor een uitgebreidere bespreking van deze materie verwijs ik naar het artikel dat recent van mijn hand hierover verscheen.28)
Het getuigen- en deskundigenbewijs
Ook op het gebied van het getuigen- en deskundigenbewijs zijn er enkele wijzigingen. Eerst bespreek ik het getuigenbewijs. Onder het oude recht had de partijgetuigenverklaring op grond van artikel 164 lid 2 Rv beperkte bewijskracht. De verklaring van een partijgetuige kon slechts bewijs in haar voordeel kan opleveren indien het strekte ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze regel geldt niet meer. De bewijskracht van de verklaring wordt nu aan het vrije oordeel van de rechter overgelaten, ongeacht wie van partijen met het bewijsrisico van de te bewijzen feiten is belast.29) In theorie kan dit betekenen dat een benadeelde die de bewijslast draagt uitsluitend op basis van de eigen partijverklaring kan aantonen dat de aangesprokene door rood is gereden en daarmee een verkeersfout heeft gemaakt. Dat biedt dus hoop voor een partij die de bewijslast draagt, maar die niet beschikt over aanvullend bewijs. Maar of die hoop (altijd even) terecht is, is de vraag. Artikel 164 lid 2 Rv mag dan weliswaar zijn afgeschaft, maar de wetgever gaat nog altijd uit van het “gezonde verstand” van de rechter waarbij is benadrukt dat de rechter behoedzaam moet omgaan met de verklaringen van partijen als er verder geen aanvullend bewijsmateriaal is. Zo dienen betwiste feiten niet snel bewezen te worden geacht op basis van de enkele verklaring van een partij die bij de uitkomst van de procedure een direct belang heeft.30) Of het schrappen van artikel 164 lid 2 Rv dan ook tot wezenlijk andere uitkomsten gaat leiden, vraag ik mij af.
De modernisering van het bewijsrecht brengt logischerwijs ook met zich dat het familiaal verschoningsrecht aan een update toe was. Niet langer is dit verschoningsrecht voorbehouden aan de (vroegere) echtgenoot en (vroegere) geregistreerd partner. Ook de (vroegere) levensgezel valt nu onder het verschoningsrecht van artikel 165 Rv. Wat een (vroegere) levensgezel is, hangt uiteraard af van de omstandigheden, maar doorslaggevend is dat er een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid moet zijn (geweest).31)
Een andere wijziging op het gebied van het getuigenbewijs is dat de rechter – in het kader van de actievere regievoering – op grond van artikel 166 lid 2 Rv ook zelf door hem aangewezen personen als getuigen kan oproepen. Daarbij dient de rechter wel binnen de grenzen van de rechtsstrijd te blijven, wat betekent dat alleen een persoon mag worden opgeroepen die door partijen in het partijdebat ter sprake is gebracht (al dan niet door het inbrengen van een schriftelijke getuigenverklaring).32) Het is dus niet zo dat de rechter zelf op zoek mag gaan naar getuigen.
Omtrent het deskundigenbewijs is nieuw dat met artikel 186 lid 5 en 192 lid 5 Rv is beoogd om een opeenstapeling van deskundigenberichten te voorkomen. Want in de praktijk komt het geregeld voor dat er onduidelijkheid of onenigheid is over één of meerdere deskundigenberichten en dat de rechter er dan maar voor koos om zich nader te laten voorlichten door weer een nieuwe deskundige. Het zorgt uiteraard voor (verdere) vertraging en oplopende kosten.33) Reden waarom de wetgever van deze opeenstapeling van deskundigenberichten af wil. Om dat te bewerkstellingen, bepaalt artikel 186 lid 5 Rv dat de rechter verplicht is om eerst terug te gaan naar de eerdere door de rechter benoemde deskundige om een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting/aanvulling te krijgen. Als blijkt dat deze exercitie niet tot de gewenste opheldering heeft geleid, dan pas mag de rechter een nieuwe deskundige benoemen en dus niet eerder dan dat moment. Daarop is echter één uitzondering, zo volgt uit artikel 186 lid 5 Rv, en dat als de rechter het op voorhand niet zinvol acht om deze eerdere deskundige om een toelichting of aanvulling te vragen.
Artikel 192 lid 5 Rv bepaalt dat artikel 186 lid 5 Rv van overeenkomstige toepassing is op de deskundige die niet door de rechter is benoemd (lees: de partijdeskundige of de deskundige die buiten rechte op gezamenlijk verzoek van partijen is ingeschakeld). Bij onduidelijkheid en/of onenigheid zal de rechter dus ook eerst deze deskundige moeten vragen om een toelichting of aanvulling voordat een nieuwe deskundige kan worden benoemd. Dat betekent dat als partijen ieder een eigen partijdeskundige hebben, dat dan al deze deskundigen nader moeten worden bevraagd.34)
Er is inmiddels een eerste gepubliceerde uitspraak waarin de deelgeschilrechter op de artikelen 186 lid 5 en 192 lid 5 Rv heeft voorgesorteerd. In deze whiplashzaak konden twee deskundigenberichten niet worden gevolgd omdat er nog meerdere (feitelijke) onduidelijkheden waren. De deelgeschilrechter achtte het aannemelijk dat een bodemrechter deze deskundigen over de onduidelijkheden zou willen horen. Iets wat uiteraard niet in het deelgeschil zelf kon:
Het is op grond van het bovenstaande daarom zeer aannemelijk dat een bodemrechter, gelet op het nieuwe bewijsrecht, de deskundigen zou willen horen alvorens te oordelen over de bewijskracht van de rapporten. De deskundigen zijn nog niet in de gelegenheid geweest zich over de bestaande vragen en onduidelijkheden uit te laten. Deze procedure leent zich er niet voor om dat hier alsnog te doen, ook omdat partijen het daarover niet eens zijn. Als desondanks in deze procedure beslist zou worden over de bewijskracht van de deskundigenrapporten zou dat op gespannen voet komen te staan met het bewijskader waarbinnen de bodemrechter moet oordelen.35)
De deelgeschilrechter gaf partijen vervolgens in overweging om de deskundigen, in lijn met de ratio van artikel 186 lid 5 en 192 lid 5 Rv, opnieuw te benaderen:
Op basis van het voorgaande kan op dit moment niet worden vooruitgelopen op de bewijskracht van de deskundigenrapporten. De verzoeken van [verzoekster] kunnen daarom niet worden toegewezen. Dat betekent dat partijen ook na deze uitspraak in een impasse blijven ten aanzien van de schadeafhandeling. De rechtbank geeft partijen in overweging met elkaar een weg vooruit te vinden. De strekking van het nieuwe bewijsrecht zoals neergelegd in artikel 186 lid 5 en 192 lid 5 Rv, is de stapeling van deskundigenrapporten te voorkomen. Omdat de deskundigheid van de rapporteurs niet ter discussie staat, geeft de rechtbank partijen in overweging de deskundigen op te dragen nader te rapporteren naar aanleiding van voornoemde onduidelijkheden en mogelijk relevatie vraagpunten van NN. Dat zou in overeenstemming zijn met voornoemde strekking en getuigen van een constructieve behandeling van het geschil over de waarde van de rapporten. 36)
Bewijsbeslag en proces-verbaal van constatering
Artikel 205 en 206 Rv regelen het conservatoir bewijsbeslag dat tot doel heeft om bewijsmateriaal veilig te stellen waarbij de vrees bestaat dat het anders wordt vernietigd, verduisterd of verloren gaat. Deze artikelen vormen de codificatie van het Molenbeek-arrest37) waarin de Hoge Raad kortweg overwoog dat conservatoir bewijsbeslag ook kan worden gelegd in andere zaken dan over intellectueel eigendom. In zoverre dus weinig nieuws onder de zon.
Stel dat een aangesproken WAM-verzekeraar de data van de Event Data Recorder van de auto van de benadeelde veilig wenst te stellen in verband met het nog te verrichten Delta-v-onderzoek. Het is op grond van artikel 205 Rv mogelijk om conservatoir bewijsbeslag op deze data te leggen. De WAM-verzekeraar zal dan eerst verlof moeten vragen aan de voorzieningenrechter. Goed om voor ogen te houden; als dat verlof vervolgens wordt verleend, betekent dat nog niet dat er na beslaglegging ook al een recht bestaat op kennisneming van de inhoud van de beslagen data. Dat recht moet nog separaat worden verkregen.38) Meest voor de hand liggend is een inzageverzoek maar de wetgever benoemt ook de optie van het voorlopig deskundigenbericht.39) Dus als een ongevallenanalist als deskundige door de rechter wordt benoemd, dan kan de beslagen data door de deskundige worden gebruikt.
Naast het conservatoir bewijsbeslag is er ook nog een lichtere maatregel om te voorkomen dat bewijs verloren gaat, namelijk het proces-verbaal van constateringen dat door de deurwaarder wordt opgemaakt. Dit proces-verbaal bestond ook al vóór 1 januari 2025, maar er zijn op dit punt twee wezenlijke veranderingen. De eerste verandering is dat de deurwaarder dit proces-verbaal nu ook kan opmaken op een niet voor het publiek toegankelijke plaats. Daarvoor is dan op grond van artikel 207 Rv wel verlof vereist van de voorzieningenrechter. Dus mocht een benadeelde weigeren om informatie over het schadebeeld van zijn auto aan de aangesproken WAM-verzekeraar te verstrekken en mocht deze benadeelde zijn auto op een met een hek afgezet eigen terrein plaatsen, dan heeft de WAM-verzekeraar op grond van artikel 207 Rv de mogelijkheid om het schadebeeld van de auto door te deurwaarder te laten opmaken, ook al staat deze auto op een afgezet eigen terrein. Wordt verlof verleend, dan zal de deurwaarder die het proces-verbaal opmaakt, de feiten die hij persoonlijk waarneemt nauwkeurig en op objectieve wijze moeten beschrijven in het proces-verbaal.40) Daarbij mag hij gebruik maken van technische hulpmiddelen, zoals beeld- en geluidmateriaal.41) Vervolgens dient de deurwaarder het opgemaakte proces-verbaal binnen drie dagen te betekenen aan degene bij wie de waarneming heeft plaatsgevonden (artikel 207 lid 2 Rv). De verzoeker krijgt slechts een globale beschrijving, want een recht op kennisneming daarvan is er nog niet. Dat recht kan worden verkregen met een inzageverzoek.42)
De tweede verandering is dat het proces-verbaal nu wordt aangemerkt als een ambtshandeling. Dat brengt met zich dit proces-verbaal een authentieke akte is als bedoeld in artikel 156 lid 2 Rv en dus dat dit proces-verbaal dwingende bewijskracht heeft. Dit kan er mogelijk toe leiden dat de deurwaarder vaker zal worden ingeschakeld om een proces-verbaal van constateringen op te maken. Want als een partij de inhoud van het proces-verbaal betwist, zal die op zijn minst met tegenbewijs moeten komen.
Tot slot
Met de komst van de Wmvb zijn onder meer de rol van de rechter, het inzageverzoek, de voorlopige bewijsverrichtingen, het getuigen- en deskundigenbewijs en het bewijsbeslag op onderdelen gewijzigd. De Wvmb is nu enkele maanden van kracht en de eerste ervaringen worden momenteel opgedaan. Of de komst van de Wvmb daadwerkelijk de civiele procedure efficiënter laat verlopen, is nu nog een niet goed te beantwoorden vraag. De praktijk zal dat moeten uitwijzen. Wordt dus vervolgd.
1. P.F. Lock, ‘De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht; wat er (niet) gaat veranderen, TCR 2024, nr. 3, pag. 67 t/m 79, een themanummer van TvPP (2025-1) met bijdragen van A.W. Jongbloed (‘Het vernieuwde bewijsrecht’ en ‘Lost het nieuwe bewijsrecht de problemen bij het bewijsbeslag op?’), S. Heeroma (‘Het vernieuwde bewijsrecht en artikel 22 Rv’), M.J.A.M. Ashman (‘De impact van een goede regierechter: Over helderheid en gebrekkigheid van het toepassingsgebied van artikel 24 lid 2 en 22 lid 1 Rv’), J.M. Veldhuis (‘Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en de dagvaarding’), M. Huizingh (‘Het wie, wat, hoe en wanneer van het nieuwe inzagerecht’), M.M. Tak en J.E.V. Bruins (‘Een uniform kader voor voorlopige bewijsverrichtingen’) A.C.J.M Seuren (‘Het proces-verbaal van constatering, eindelijk een ambtshandeling’), I.I. van Tuyll van Serooskerken & N.A. de Werd, ‘Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht; een herijking van de weg naar de waarheid, MvV 2024, nr. 11, pag. 364-371 J. Keizer, ‘Stille revolutie in het bewijsrecht’, L&S 2024, nr. 4 etc. etc.
2. Kamerstukken II 2022/23, 35498, nr. 15.
3. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 11.
4. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 11.
5. R.H. de Bock, ‘Het doel van regievoering en de regiezitting voorlopige bewijsverrichtingen’ TvPP 2024-3, pag. 70.
6. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 11.
7. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 11 en 34.
8. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 34.
9. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 31.
10. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 38.
11. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 13-14.
12. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 13.
13. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 13.
14. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 14.
15. Rb. Amsterdam 2 mei 2025 ECLI:NL:RBAMS:2025:2936.
16. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 54.
17. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 13.
18. Deze afwijzingsgronden zijn overigens niet nieuw en vormen een codificatie van de al geldende jurisprudentie (Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 56 en o.a. HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938).
19. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 62.
20. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 34.
21. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 59.
22. Als een partij tijdens de lopende procedure getuigen wil laten horen, een deskundigenbericht of -verhoor wenst of een plaatsopneming verlangt, dan zal die partij in de procedure het verzoek aan de rechter moeten doen om tot zo’n bewijsverrichting over te gaan. Die partij is dan afhankelijk van de behandelend rechter. Want als die er het nut of de noodzaak niet van inziet, dan zal dat verzoek niet worden gehonoreerd. Uiteraard kan de rechter een dergelijke bewijsverrichting ook ambtshalve bevelen (zie artikel 166 lid 1, 194 lid 1 en 201 lid 1 Rv)
23. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 43‑44
24. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 55.
25. Zie artikel 200 lid 2 Rv.
26. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3676 en ECLI:NL:HR:2008:BB5626.
27. Zoals de proportionaliteitstoets uit de Medische Paragraaf van de GBL.
28. A.N.L. de Hoogh, ‘De Patiëntenkaartbeschikkingen achterhaald? Ook de rechter mag bepalen welke informatie de deskundige krijgt’, Afwikkeling Personenschade 2025-2, pag. 48 t/m 53.
29. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 39.
30. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 39.
31. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 40.
32. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 41.
33. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 45.
34. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 46.
35. Rb. Midden-Nederland 7 mei 2025 ECLI:NL:RBMNE:2025:2241.
36. Rb. Midden-Nederland 7 mei 2025 ECLI:NL:RBMNE:2025:2241.
37. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958
38. Als er nog geen lopende procedure is, bepaalt artikel 205 lid 4 BW dat er binnen een door de voorzieningenrechter bepaalde termijn een eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld.
39. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 15.
40. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 76.
41. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 76.
42. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 76.