VR-kort *

Onzekerheid bij schadeverzekering: de schone lei van titel 7:17 BW

Een verzekering wordt algemeen gezien als een kansovereenkomst – ook wel: een overeenkomst met een ‘aleatoir’ karakter. Zonder onzekerheid geen verzekering. Als bijvoorbeeld de verzekeraar zeker weet dat iemand schade zal overkomen, zal de verzekeraar die schade in de regel niet willen verzekeren. De verzekeraar zou anders een bij voorbaat verliesgevend product verkopen. En andersom: als iemand zeker weet dat hem geen schade zal overkomen, zal hij daarvoor geen schadeverzekering willen afsluiten. Wanneer echter voor beide partijen die zekerheid niet bestaat, kunnen zij elkaar vinden door een verzekering overeen te komen, waarmee de onzekerheid wordt gedeeld. Of de verzekering de verzekerde dan wel de verzekeraar wat zal opleveren, is dan onzeker. Een schadeverzekering is in feite niet veel anders dan een weddenschap met een schadeloosstellend karakter, waarbij de verzekeraar wedt op de uitkomst ‘geen schade’ en de verzekeringnemer inzet op ‘wel schade’.

Bespreking van het wetsvoorstel tot verruiming recht op premierestitutie verzekeringnemer wanneer hij zijn mededelingsplicht te goeder trouw heeft geschonden

Op de verzekeringnemer rust een precontractuele mededelingsplicht. Als hij deze heeft geschonden en de verzekeraar zou bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet hebben gesloten, dan bestaat er geen recht op uitkering. Maar krijgt de verzekeringnemer dan ook de premie terug? Onder het oude recht (Wetboek van Koophandel) was dat wel het geval als de verzekeringnemer te goeder trouw was. Na de invoering van titel 7:17 BW lijkt er dan geen recht op premierestitutie te zijn. Dit voelt onrechtvaardig.

De dertigjarige verjaringstermijn getoetst aan art. 6 EVRM

De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2017 de dertigjarige – absolute – verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW opnieuw getoetst aan het door art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht van toegang tot de rechter. Bij de benadeelde was meer dan dertig jaar na afloop van zijn dienstverband bij een rederij mesothelioom (asbestkanker) geconstateerd. In het licht van deze lange tijd voordat de ziekte zich openbaarde, had de benadeelde zijn vordering tot vergoeding van zijn schade niet binnen de dertigjarige termijn kunnen instellen. In dit artikel bespreekt de auteur de beslissing van de Hoge Raad, de achtergrond waartegen de beslissing is gewezen en het belang van deze uitspraak voor de schadebehandelingspraktijk.

Complexe schadevorderingen in het strafproces

Deze bijdrage gaat in op de positie van slachtoffers van misdrijven die een complexe schadevordering in het strafproces willen indienen. Daartoe wordt eerst een overzicht gegeven van de sinds 1993 verschenen wetgeving hieromtrent, zoals de zogenaamde Wet Terwee, de Wet Aanvulling Spreekrecht uit 2005, de Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces uit 2011 en de implementatie per 1 april 2017 van de Europese slachtofferrichtlijn uit 2012. Aansluitend wordt aandacht besteed aan de onevenredige belasting, de voorschotregeling, de praktische bezwaren van de wetten en de accessoiriteit van de civiele vordering.

Berekening verlies verdienvermogen strafrecht versus civiel recht

Net als in het civiele recht kan iemand die slachtoffer of nabestaande is van een misdrijf zich voegen als benadeelde partij in de strafzaak tegen de verdachte. Uit de praktijkervaring van auteurs blijkt dat de claim in het strafrecht niet het niveau (lees: hoogte) van de claim in het civiel recht kan hebben, aangezien al snel geconcludeerd wordt tot niet-ontvankelijkheid vanwege ‘onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure’. In deze bijdrage wordt getoond hoe deze niet-ontvankelijkheid te voorkomen is.

Pagina's