Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd vanwege het vasthouden van de mobiele telefoon. Bij de staandehouding verklaarde zij dat de telefoon wel vasthield, maar er niet actief op bezig was. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat deze verklaring niet gebruikt kan worden, omdat zij bij de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Het hof oordeelt dat het recht op rechtsbijstand zo fundamenteel is dat dit ook in Wahv-zaken onverkort geldt en niet onder de 'Jussila-versoepeling' valt.