Eigen bijdrage terug door WMO-convenant 2017: is de aanvraag WMO nog zinvol bij letselschade?

VR-kort
Artikel
07 september 2017

Linda Renders
In 2015 hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Verbond van Verzekeraars het convenant ‘Wet maatschappelijke ondersteuning 2015-2016’ gesloten over de afkoop van het regresrecht. Dit convenant was het sluitstuk van wetgeving om het verhaalsproces tussen gemeenten en verzekeraars te vereenvoudigen en te stroomlijnen. Hiermee was ook de eigen bijdrage voor WMO-voorzieningen afgekocht. Tijdens het opstellen van het nieuwe convenant WMO 2017 meldde het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat dit in strijd is met het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning. Met het convenant WMO 2017 is dan ook weer sprake van een eigen bijdrage. Dit zorgt voor nogal wat onduidelijkheid en onrust. Voor wie geldt die eigen bijdrage en wat zijn de gevolgen voor benadeelden en verzekeraars? En vooral, is een WMO-aanvraag nog wel zinvol nu de eigen bijdrage weer van toepassing is?
Met betrekking tot de vraag wel of geen eigen bijdrage zijn er wisselende opvattingen bij onder andere verzekeraars en gemeenten. Hieruit blijkt dat het nieuwe convenant voor meerdere uitleg vatbaar is. Een van de discussiepunten is die over de datum: is de datum van de aanvraag of die van het ongeval leidend? Een ander discussiepunt is de hoogte van de eigen bijdrage en de vermogensbijtelling (mede door een letselschadeuitkering).
Al met al kunnen diverse afwegingen worden gemaakt bij de aanvraag voor een WMO-voorziening. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van enkele argumenten tegen en voor een aanvraag. Een argument tegen een aanvraag is dat het WMO-traject te lang duurt ingeval een voorziening met (enige) spoed noodzakelijk is. Ook bij een enkelvoudige, goedkope voorziening is het de vraag of dit traject wel via de WMO moet lopen.
Een van de argumenten vóór aanvraag voor een WMO-voorziening is de schadebeperkingsplicht van de benadeelde. Waarom zouden benadeelden in een uitzonderingspositie worden geplaatst door hen er geen gebruik van te laten maken? Bovendien is de WMO-voorziening veelal goedkoper dan een particuliere aanschaf. Daarnaast geeft de gemeente met specifieke criteria een objectief oordeel over de noodzakelijkheid van een voorziening in relatie tot de stoornissen en beperkingen.
De auteur is van mening dat een WMO-voorziening moet worden aangevraagd als een benadeelde daarvoor in aanmerking komt. Ook omdat een gemeente maatwerk moet leveren op grond van de WMO 2015. Zij vindt dat optimaal gebruik moet worden en kunnen gemaakt van de voorliggende wet- en regelgeving. Uiteindelijk bespaart dit kosten, want een WMO-voorziening is veelal goedkoper dan een particuliere voorziening. Ook al wordt de eigen bijdrage in rekening gebracht bij alle benadeelden, dan nog betaalt de verzekeraar niet te veel. Namelijk nooit meer dan de kostprijs van de voorziening voor de gemeenten.
De auteur concludeert dat de eigen bijdrage van de WMO te overzien is. De voordelen van een WMO-voorziening wegen op tegen de nadelen. In het verlengde hiervan is zij van mening dat er voor 2018 en daarop volgende jaren een nieuw convenant 2018 tussen de VNG en het Verbond van Verzekeraars moet worden afgesloten. Het convenant voorkomt tevens intensieve administratieve processen tussen verzekeraars en gemeenten. Wel zijn er duidelijke kaders en uitgangspunten nodig.

Bron: 
PIV-Bulletin juni 2017, afl. 3, p. 12-15