Verkeersrecht 2026 10

Editie
VR 2026-10 cover
Datum uitgave: 

VR 2026/140 Gevaar op de weg

Artikel
Vr 2026-10 illustratie
Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 in de praktijk 1. Inleiding Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) verbiedt het veroorzaken van (potentieel) gevaar of hinder op de weg. De wetstekst stelt geen nadere eisen aan het veroorzaakte gevaar of het daaraan ten grondslag liggende (verkeers)gedrag. Uit de wetsgeschiedenis wordt wel afgeleid dat er sprake moet zijn van gevaarscheppend gedrag van een zekere minimumernst, maar van een consistente toepassing van zo’n minimumdrempel is geen sprake. Deze bijdrage bespreekt hoe artikel 5 WVW 1994 in de praktijk wordt toegepast als de aanleiding voor strafvervolging is gelegen in het plaatsvinden van een ongeval. Hierna geef ik eerst een nadere beschrijving van de strafbaarstelling van artikel 5 WVW 1994. Daarna bespreek ik hoe deze in de praktijk wordt toegepast, aan de hand van feitenrechtspraak over verschillende veelvoorkomende verkeerssituaties die tot ongevallen hebben geleid, zoals verblinding door de zon en de problematiek van de dode hoek. Hierbij springen opvallende verschillen in het oog bij de afdoening van op het oog vergelijkbare zaken, bijvoorbeeld bij de beoordeling van vragen en verweren over voorzienbaarheid, de anticipatieplicht en de vraag of artikel 5 WVW 1994 een ongeschreven minimumdrempel kent. Vervolgens geef ik een positiebepaling voor de vraag welke van de verschillende in de praktijk gesignaleerde benaderingen de juiste is, om af te sluiten met een conclusie.

VR 2026/141 Bestemmingsplan. Vrijliggende fietsverbinding langs N-weg. Fietsersbond. Relativiteit.

Jurisprudentie

De gemeenteraad van Gulpen-Wittem heeft het bestemmingsplan 'Fietsverbinding en reconstructie N595'vastgesteld. Het plan maakt de reconstructie van de N595 tussen Kapolder en Wittem mogelijk en voorziet onder meer in een nieuwe vrijliggende fietsverbinding tussen Wittem en Kapolder. De Fietsersbond is tegen het plan in beroep gegaan, omdat zij de gekozen inrichting van de N595 en het vrijliggende fietspad onvoldoende verkeersveilig vond. Volgens de Fietsersbond moeten fietsers daardoor vaker de N595 oversteken. Daarnaast meent de Fietsersbond dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met

VR 2026/142 Onderzoek rijgeschiktheid. Alcoholmisbruik. Ongeldigverklaring rijbewijs. Betrouwbaarheid rapportage.

Jurisprudentie

Wederpartij is op 18 januari 2024 betrokken geweest bij een eenzijdig ongeval. Uit de ademanalyse bleek dat hij onder invloed van alcohol was en het alcoholgehalte 1075 µg/l bedroeg. Het CBR heeft hierop een onderzoek ingesteld naar de rijgeschiktheid van wederpartij. De psychiater heeft in zijn onderzoek van 25 mei 2024 vastgesteld dat de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ gesteld kan worden en dat het aannemelijk is dat wederpartij met het alcoholmisbruik is gestopt op 19 januari 2024. Op basis van het onderzoek heeft het CBR het rijbewijs van wederpartij ongeldig verklaard. Wederpartij

VR 2026/143 Vasthouden mobiel navigatiesysteem tijdens het rijden.

Jurisprudentie

Aan de betrokkene is een Wahv-sanctie opgelegd, omdat hij als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat zou hebben vastgehouden. De ambtenaar verklaart dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiel apparaat in zijn hand hield en daarnaar keek. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld, omdat onvoldoende blijkt dat het ging om een mobiel elektronisch apparaat in de zin van artikel 61a RVV 1990. Het hof volgt dit betoog niet. Uit de getuigenverklaring en de door de gemachtigde overgelegde afbeelding volgt dat het apparaat volgens de betrokkene

VR 2026/144 Mobiele telefoon in houder, vasthouden tijdens het rijden.

Jurisprudentie

/Aan de betrokkene is een Wahv-sanctie opgelegd omdat hij als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat zou hebben vastgehouden. De ambtenaar verklaart dat de betrokkene tijdens het rijden met zijn rechterhand om zijn mobiele telefoon en de houder zat, terwijl hij de telefoon met zijn duim bediende. De betrokkene voert aan dat de telefoon in een houder zat en dat hij de telefoon kon bedienen zonder deze vast te houden. Het hof stelt voorop dat artikel 61a RVV 1990 niet het bedienen van een mobiele telefoon verbiedt, maar het vasthouden daarvan. Volgens het hof kan ook