buitengerechtelijke kosten
Jurisprudentie
Een ondernemer (A) is betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij is als bestuurder van een bestelwagen van achteren aangereden door een auto. Sinds het ongeval ondervindt A nek- en rugklachten, tintelingen in zijn arm, hoofdpijn etc. B heeft als WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en aan A € 7.000 aan voorschotten betaald en € 7.740,08 aan buitengerechtelijke kosten. In conventie vordert B een verklaring voor recht dat zij niets meer aan A is verschuldigd. In reconventie vordert A dat B wordt gelast mee te werken aan het inschakelen van een rekenkundige
Jurisprudentie
Op 30 november 2016 is verzoeker in zijn busje van achteren aangereden door een ingevolge de WAM bij Unigarant verzekerde auto. Na het ongeval ervaart verzoeker nek-, rug- en schouderklachten, in verband waarmee hij zijn werk aanvankelijk tijdelijk heeft neergelegd. Drie maanden na het ongeval heeft verzoeker zijn werk weer volledig hervat, ondanks het persisteren van de klachten. Unigarant heeft aansprakelijkheid erkend voor het ontstaan van de aanrijding. Het eerste verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter op de voet van art. 1019w e.v. Rv Unigarant zal veroordelen tot betaling van de
Jurisprudentie
Verzoeker is op 24 augustus 2016 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij reed op zijn scooter toen hij werd aangereden door een auto. Dekra, (de vertegenwoordiger van) de aansprakelijkheidsverzekeraar van de bestuurder van de auto, heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval en de daaruit voor verzoeker voortvloeiende schade erkend. Dekra heeft een eerste door de advocaat van verzoeker verzonden factuur ter zake van buitengerechtelijke kosten ad € 1.446,67 voldaan. Een tweede factuur ter zake van buitengerechtelijke kosten ad € 1.544,60 is onbetaald gebleven. De advocaat van verzoeker
Jurisprudentie
A is als bromfietser een aanrijding overkomen met een bestelwagen. C is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de bestuurder (B) van de bestelwagen. In een deelgeschilprocedure heeft de rechtbank voor recht verklaard dat B en C aansprakelijk zijn voor de schade die A door het ongeval heeft geleden en heeft B en C veroordeeld in de kosten van het deelgeschil (art. 1019aa lid 1 Rv jo. 6:96 lid 2 BWW). In deze bodemprocedure hebben B en C een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk zijn voor de schade van A en zij hebben verlof gevorderd om tussentijds hoger beroep in te stellen
Jurisprudentie
Verzoeker, slachtoffer van een ongeval door een frontale aanrijding met een auto van een verzekerde van ASR, verzoekt bevoorschotting van de kosten. De rechtbank overweegt als volgt over de vraag of er sprake is van een deelgeschil en ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten (zie opgenomen fragmenten uit het vonnis):
Jurisprudentie
In 2015 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij drie voertuigen betrokken waren. Het middelste voertuig werd bestuurd door verzoeker die op dat moment stilstond voor een rood stoplicht. Hij werd aangereden door het voertuig achter hem, waardoor verzoeker tegen het voertuig dat voor hem stond aanbotste. Verweerster, WAM-verzekeraar van de schadeveroorzakende partij, heeft aansprakelijkheid voor het ongeval en de daaruit voor verzoeker voortvloeiende schade erkend. Verweerster heeft tweemaal een voorschot ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten gedaan: eenmaal € 6.500,- aan de vroegere
Jurisprudentie
In 2011 is verzoeker betrokken geraakt bij een ongeval. Toen hij op zijn brommer reed, is hij aangereden door een automobilist die uit een oprit kwam. De auto was verzekerd bij ASR. ASR heeft aansprakelijkheid erkend. Verzoeker heeft door het ongeval een beenbreuk opgelopen, waardoor blijvend beenlengteverschil is ontstaan. Verzoeker verzoekt dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat geen sprake is van door verzoeker jegens ASR gepleegde fraude en dat (ii) zij beslist dat ASR, indien zij melding van fraude heeft gedaan dan wel verzoeker heeft geregistreerd in haar eigen incidentenregister
Jurisprudentie
Geïntimeerde heeft op 13 januari 2013 als bestuurder van een voertuig een ongeval veroorzaakt. Bij het ongeval was ook het voertuig van de heer B betrokken. Ten tijde van het ongeval was ten aanzien van het voertuig bestuurd door geïntimeerde een aansprakelijkheidsverzekering van kracht bij verzekeraar Bovemij. De verzekeraar is aangesproken tot betaling van door B geleden schade. Namens B is een voorlopige schadestaat opgesteld met een totaal te vorderen bedrag van € 25.418,28. Enige maanden later is tussen de verzekeraar en B een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond daarvan heeft de
Jurisprudentie
Verzoeker is op 16 juli 2016 als automobilist aangereden door een bij NN verzekerde auto. NN heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Dit deelgeschil gaat voornamelijk over drie geschilpunten: a) Moet er wegens het niet-dragen van de gordel een zgn.
eigen-schuld-aftrek plaatsvinden?b) Zo ja: moet die aftrek dan ook worden toegepast op de
kosten van het deelgeschil?c) Is sprake van verlies aan verdienvermogen? Met betrekking tot (a) stelt verzoeker dat niet vaststaat
dat het niet-dragen van de gordel van invloed is geweest op de aard en omvang
van het ontstane letsel; volgens hem is
Jurisprudentie
In 2007 is bij X, de moeder van verzoekers, bij toeval een ruimte-innemend proces (rip) ontdekt. De behandelend uroloog heeft een afwachtend beleid gevoerd en op verschillende momenten CT-scans laten maken. In 2010 heeft hij haar uit de behandeling ontslagen. Nadat zij in 2013 opnieuw klachten kreeg, werd door een volgende neuroloog een tumor in de nier met uitzaaiingen geconstateerd. Hij heeft X meegedeeld dat zij ongeneeslijk ziek was. X was op dat moment 49 jaar oud. In 2014 is zij overleden. Tussen partijen staat vast, onder meer op basis van de conclusies van een gezamenlijk ingeschakelde