buitengerechtelijke kosten

VR 2021/59 Letselschadezaak; redelijkheid buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
A is in 2017 een ongeval overkomen. Toen hij in de auto zat, is een andere auto tegen de achterkant van die auto aangebotst. B heeft als WAM-verzekeraar van de achteroprijdende auto aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. A en B hebben daarna in gezamenlijk overleg de schade vastgesteld op € 5.000. B heeft in totaal € 3.985,66 voor kosten rechtsbijstand betaald. In dit geschil vordert A van B nog € 1.769,85 voor kosten rechtsbijstand.De rechtbank overweegt dat de buitengerechtelijke kosten worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en

VR 2020/178 De vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand in letselschadezaken

Artikel
VR 2020/178 De vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand in letselschadezaken Mr. J.F. Roth * * Advocaat bij SAP Letselschade Advocaten te Amersfoort. Inleiding De buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand, afgekort BGK, vormen een belangrijk onderwerp in de letselschadepraktijk en een onderwerp dat veel stof voor discussie oplevert en aanleiding geeft tot veel verzuchtingen. Zoals deze van Lameris in 2012: 1) “Discussies over buitengerechtelijke kosten zijn nog altijd aan de orde van de dag, ondanks de initiatieven die zijn ondernomen om deze te vermijden.” In de uitgave van

VR 2020/189 Deelgeschil over buitengerechtelijke kosten; uurtarief en aantal uren te hoog.

Jurisprudentie
A is in 2013 een arbeidsongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn linkerbeen. A heeft B hiervoor aansprakelijk gesteld. Nadat X een toedrachtsonderzoek heeft uitgevoerd, heeft B aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. X heeft de schadeafwikkeling voor B ter hand genomen. A heeft zich in 2018 gewend tot zijn gemachtigde Z. Z heeft contact opgenomen met X. In 2019 heeft Z aan X een declaratie verzonden van € 4.605,82. Deze is onbetaald gebleven. A verzoekt dat de rechtbank B beveelt dit bedrag te vergoeden. De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of er sprake is van een

VR 2020/188 Letselschadezaak; voorschot op schadevergoeding; voorschot op buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
A is in 2017 een ongeval overkomen. Toen zij in haar auto reed, is zij van achteren aangereden door een vrachtwagen die ingevolge de WAM verzekerd was bij B. B heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. A vordert van B een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000 en een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 5.460,12.De rechtbank overweegt dat B aan A reeds een bedrag van € 29.540 (of € 22.500) als voorschot op de schadevergoeding heeft betaald. De grootste schadeposten van A zijn het verlies aan verdienvermogen en de behoefte aan huishoudelijke hulp. Uit de beschikbare

VR 2020/187 Letselschadezaak; deelgeschil; benoeming deskundige; buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
In 2014 is A in haar auto van achteren aangereden door een auto van een verzekerde van B. A heeft hierbij letsel opgelopen. B heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. A en B zijn het erover eens dat een neuropsychologisch onderzoek door een deskundige moet plaatsvinden. A is dit deelgeschil begonnen, omdat partijen het niet eens konden worden over de persoon van de deskundige. Ook wil A dat B wordt veroordeeld tot betaling van nog niet vergoede buitengerechtelijke kosten. De rechtbank wijst erop dat A na de zitting aan de rechtbank heeft medegedeeld dat A en B hebben afgesproken dat C

VR 2020/186 Deelgeschil; voortzetting buitengerechtelijke onderhandelingen; buitengerechtelijke kosten; deskundigenonderzoek.

Jurisprudentie
Op 8 mei 2017 is A als bestuurder van een auto aangereden door een verzekerde van B. B heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. A was voor het ongeval werkzaam als kraanmachinist en hulpmonteur op zzp-basis. Het is A en B niet gelukt een pragmatische regeling te treffen. Op voorstel van B heeft A nadien een multidisciplinair revalidatietraject en een arbeidsdeskundig traject doorlopen. Daarnaast is een bedrijfsanalyse uitgevoerd. B heeft € 49.000 aan voorschotten aan A verstrekt en € 7.416,52 voldaan als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. In 2019 heeft B de

VR 2020/185 Letselschadezaak; redelijkheid buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
X is in 2000 een auto-ongeval overkomen. B heeft als WAM-verzekeraar aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Nadien hebben twee neurologen afzonderlijk geconcludeerd dat de door X gestelde klachten en beperkingen niet aan het ongeval kunnen worden gerelateerd. De advocaat van X (A) heeft € 38.852,81 aan buitengerechtelijke kosten in rekening gebracht bij B voor de door haar verrichte werkzaamheden (van in het totaal 141,4 uur). Van dat bedrag heeft B € 11.355,57 betaald. A vordert van B nog € 20.000 aan buitengerechtelijke kosten. Het hof wijst erop dat B de redelijkheid van de door A

VR 2020/184 Letselschadezaak; geschil over redelijkheid buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
A is in 2015 aangereden door een auto. De auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij B. B heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die A door het ongeval heeft geleden. C is de belangenbehartiger van A. Bij brief van 5 oktober 2016 heeft C een factuur gestuurd aan B. B weigert de daarin opgenomen kosten voor werkzaamheden van C (hierna: BGK) te vergoeden, omdat de in rekening gebrachte werkzaamheden niet van toegevoegde waarde zouden zijn geweest voor de schadeafwikkeling. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de door partijen overgelegde correspondentie volgt

VR 2020/182 Letselschadezaak; geschil over buitengerechtelijke kosten.

Jurisprudentie
A heeft bij B een autoverzekering afgesloten, inclusief de dekking "zekerheid voor inzittenden" (svi). Op de svi kan aanspraak gemaakt worden bij materiële schade en letselschade door een ongeval. A is op 18 juni 2016 als bestuurder van een auto betrokken geraakt bij een aanrijding. Zij kampt hierna met whiplashachtige klachten. De verzekeraar van de andere betrokkene bij de aanrijding heeft aansprakelijkheid afgewezen. De belangenbehartiger van A (C) heeft B in de periode van 20 april 2017 t/m 4 december 2017 verschillende facturen gestuurd die B onbetaald heeft gelaten. In deze procedure

VR 2020/181 Letselschadezaak; kosten ter vaststelling van schade; dubbele redelijkheidstoets.

Jurisprudentie
A is aangereden door een verzekerde van B. B heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Na het ongeval ervaart A een verergering van reeds voor het ongeval bestaande rugklachten. De medisch adviseur van B (X) en die van A (Y) hebben geoordeeld dat een causaal verband tussen de nog bestaande rugklachten en het ongeluk niet medisch te onderbouwen is. De eenmalig vervanger van Y (Z) en X hebben daarnaast aangegeven dat een orthopedische en neurologische expertise tot de conclusie zal leiden dat geen sprake is van afwijkingen. Desondanks heeft de rechtbank nadien op verzoek van A een