dood door schuld

VR 2026/20 Vrijspraak dood door schuld. Geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Jurisprudentie

Verdachte raakt als bestuurder van een auto betrokken bij een verkeersongeval met een fietser. Als gevolg van het ongeval komt de fietser om het leven. Op de plaats van het ongeval geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Uit onderzoek blijkt dat verdachte heeft gereden met een minimale snelheid van 71,51 kilometer per uur. De verbalisant ruikt bij het eerste contact met verdachte een alcohollucht en de verdachte vertoont uiterlijke kenmerken van alcoholgebruik. Het resultaat van de blaastest op het voorselectieapparaat duidt op een waarde tussen de 300 en 430 microgram alcohol per

VR 2026/19 Bijrijder na ongeval overleden. Alternatief scenario van verontschuldigbare onmacht niet aannemelijk. Veroordeling overtreding art. 6 WVW 1994.

Jurisprudentie

De verdachte wordt verweten dat hij als beginnend bestuurder door zeer onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij zijn bijrijder is overleden. Vaststaat dat hij op een onverlichte 60-km-weg met een snelheid van ongeveer 135 km/u heeft gereden. In een bocht raakte de auto in een drift, waarna deze van de weg raakte en tegen twee bomen botste. Uit EDR-gegevens blijkt dat de auto 0,5 seconden vóór de botsing 123,07 km/u reed en tijdens de botsing 98,38 km/u. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van verontschuldigbare onmacht, omdat de verdachte voorafgaand aan

VR 2025/143 Epileptische aanval vrachtwagenchauffeur. Verdachte was niet medicatietrouw, reed onder invloed en was door zijn aandoening onbevoegd om een vrachtwagen te besturen.

Jurisprudentie

Bewezenverklaring art. 6 WVW 1994. Een vrachtwagenchauffeur krijgt een epileptische aanval en verliest daardoor de controle over zijn voertuig. De vrachtwagen rijdt hierdoor van de dijk af en komt terecht op een groep mensen die onderaan de dijk aan het barbecueën zijn. Daarbij komen zes personen en een ongeboren kind om het leven. De rechtbank overweegt dat verdachte door een neuroloog was gewaarschuwd dat hij medicatietrouw moet zijn, een regelmatig slaap-waakritme moet hebben en geen drugs moet gebruiken. Verdachte heeft desondanks zijn medicatie niet dagelijks op een vast tijdstip

VR 2025/131 Extreme snelheidsovertreding voldoende voor bewezenverklaring van roekeloosheid.

Jurisprudentie
Verdachte rijdt met een snelheid van ongeveer 243 tot 255 kilometer per uur over een afstand van tien kilometer op de autosnelweg. Met deze snelheid rijdt verdachte vervolgens tegen de linkerachterzijde aan van een andere auto. Als gevolg van dit ongeval, overlijdt een inzittende en twee anderen lopen zwaar lichamelijk letsel op. De verdediging bepleit dat het tenlastegelegde roekeloosheid niet kan worden bewezen. Artikel 5a WVW verbiedt namelijk het in ernstige mate schenden van de verkeersregels (meervoud), terwijl verdachte slechts één verkeersregel heeft geschonden, namelijk het

VR 2025/130 Aanrijding met fietser op voorrangskruising. Geen momentane onoplettendheid. Veroordeling voor artikel 6 WVW 1994.

Jurisprudentie
Verdachte nadert als bestuurder van een personenauto een kruispunt waar fietsers voorrang hebben. Verdachte verleent geen voorrang aan een overstekende fietser, die als gevolg van de aanrijding overlijdt. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij het slachtoffer niet heeft gezien. Het hof overweegt dat het slachtoffer op meerdere momenten zichtbaar moet zijn geweest en dat verdachte op al die momenten de gelegenheid had om te stoppen. Nu verdachte verklaart dat zij het slachtoffer niet heeft gezien, kan het niet anders dan dat verdachte op al die momenten niet de nodige voorzichtigheid en

VR 2025/115 Vrijspraak na dodelijke aanrijding met fietser. Rijgedrag was niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, danwel gevaarzettend of hinderlijk.

Jurisprudentie

Verdachte rijdt als bestuurder van een taxi over de bus/trambaan. Deze baan bevindt zich tussen de twee reguliere rijstroken. Op de rijbaan rechts van verdachte is sprake van langzaam rijdend verkeer. Het latere slachtoffer, een fietser, komt van rechts en verleent voorrang aan twee auto’s op deze reguliere rijstrook en fietst dan, ogenschijnlijk zonder naar links te kijken, het kruisingsvlak op. Op de bus/trambaan wordt de fietser van links geschept door de auto van verdachte, als gevolg waarvan het slachtoffer overlijdt. De rechtbank spreekt verdachte vrij van zowel overtreding van art. 6

VR 2025/58 Dood door schuld na botsing met hoge snelheid. Geen verplichting tot strafverlaging na mediationovereenkomst.

Jurisprudentie

De verdachte is veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval en het verlaten van de plaats van het ongeval. In cassatie klaagt de verdachte dat het hof onvoldoende rekening hield met het mediationtraject dat hij met de nabestaanden doorliep. Volgens artikel 51h lid 2 Sv moet een rechter bij de oplegging van een straf of maatregel acht slaan op de bemiddeling tussen de verdachte en het slachtoffer. Hoe dit gebeurt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als de overeenkomst een schaderegeling omvat, houdt de rechter hiermee rekening bij de beslissing over eventuele

VR 2025/50 Dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld. Frontale botsing. Vraag naar culpa. Aanmerkelijke schuld.

Jurisprudentie
De verdachte reed als bestuurder van een auto op een provinciale weg waarbij zij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende auto, waarvan de bijrijder om het leven is gekomen en de bestuurder zwaar gewond is geraakt. De centrale vraag is in hoeverre daarbij een aan haar schuld te verwijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad benadrukt dat schuld ook kan worden bewezen bij een kort moment van onoplettendheid, afhankelijk van de omstandigheden. Het hof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend

VR 2025/30 Artikel 6 WVW 1994 met dodelijke afloop. Botsing met achterlangs lopend slachtoffer bij achteruitrijden. Uitkomst mediation meegewogen bij bepaling straf.

Jurisprudentie

De verdachte stond met zijn bestelauto geparkeerd bij de ingang van een appartementencomplex om een pakketje af te leveren. Na het bezorgen van het pakketje reed hij ongeveer 50 meter achteruit in een poging om het terrein te verlaten. Tegelijkertijd liep het slachtoffer achter de bestelauto langs, waardoor zij werd geraakt, ten val kwam en werd overreden. Als gevolg hiervan is het slachtoffer om het leven gekomen. De rechtbank constateert dat de verdachte bij het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre het slachtoffer voorrang had moeten verlenen en derhalve een ernstige verkeersfout heeft

VR 2025/29 Artikel 6 WVW 1994. Opzettelijk in ernstige mate schenden meerdere verkeersregels. Rijden onder invloed van alcohol. Overlijden fietser. Geslaagde mediation.

Jurisprudentie

De verdachte reed, na alcohol te hebben gedronken, met een huurscooter van Amsterdam Centraal Station naar het Rembrandtplein. Hij negeerde daarbij verkeersborden, reed in een voetgangersgebied en filmde met zijn telefoon. Bij het Muntplein botste hij tegen een fietser, die ter plaatse overleed. De verdachte verliet de plaats van het ongeval en werd later aangehouden in Breda. Zijn bloedalcoholgehalte was significant hoger dan toegestaan. Het gedrag van de verdachte is aanmerkelijk onvoorzichtig geweest. De rechtbank stelt vast dat de verdachte bewust de verkeersregels heeft geschonden en