rijden onder invloed

VR 2018/34 Bestraffing en strafbaarstelling van ernstige verkeersdelicten

Artikel
VR 2018/34 Bestraffing en strafbaarstelling van ernstige verkeersdelicten Mr. A. Postma & prof. mr. H.D. Wolswijk * * A. Postma is wetenschappelijk medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad; H. D. Wolswijk is hoogleraar straf(proces)recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en redacteur van Verkeersrecht. 1. Inleiding Over de straftoemeting bij ernstige verkeersdelicten bestaat veel maatschappelijke discussie. In de media is nogal eens het geluid te horen dat slachtoffers en nabestaanden de opgelegde straffen te laag vinden. Teleurstelling is er soms ook over de juridische

VR 2018/43 Poging tot zware mishandeling. Inrijden op slachtoffer.
Opzet. Rijden onder invloed.

Jurisprudentie
Verdachte is met zijn oldtimer tractor naar het Oldtimerfestival gegaan. Hij heeft daar een grote hoeveelheid bier gedronken. Hij is vervolgens met zijn tractor naar het festivalterrein van Truckfestival gereden. Hij heeft op een gegeven moment met een relatief hoge snelheid met zijn tractor in de richting van het slachtoffer gestuurd waardoor deze opzij moest springen. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen en in het bijzonder gelet op het gewicht van de door hem bestuurde tractor, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft

VR 2018/38 Dodelijk ongeval. Opzet? Roekeloosheid? Schuld? Psychose door
drugsgebruik. Straf.

Jurisprudentie
Verdachte reed met een zeer hoge snelheid over de A2 (gemiddeld 217 kilometer per uur). Met deze zeer hoge snelheden reed verdachte afwisselend over de meest linker rijstrook en over de vluchtstrook. Rijdend over de vluchtstrook haalde hij andere verkeersdeelnemers in. Van remmen tijdens die inhaalmanoeuvres is niet gebleken. Vlak voor de plek van de botsing was sprake van een vermindering van het aantal rijstroken en eindigde de vluchtstrook door middel van een verdrijvingsvlak. Borden aan de kant van de weg, pijlen op het wegdek en het verdrijvingsvlak lieten zien dat de vermindering van het

VR 2017/142 Rijden onder invloed. Contra-expertise. THC-concentratie.

Jurisprudentie
Van "een onderzoek" als bedoeld in art. 163, vierde lid, WVW 1994 (bloedonderzoek) is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort naar geldend recht niet dat na onderzoek van het afgenomen bloedmonster (onverwijld) aan de verdachte wordt medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek naar de THC-concentratie in het bloed.

VR 2017/087 Roekeloosheid in vormen

Artikel
VR 2017/87 Roekeloosheid in vormen Prof. mr. W.H. Vellinga* * A-G i.b.d. bij de Hoge Raad, tevens oud-redacteur van Verkeersrecht. In zijn editorial in Delikt en Delinkwent van zomer vorig jaar schreef Groenhuijsen dat de uitleg die de Hoge Raad geeft aan het begrip roekeloosheid, zoals dat voorkomt in art. 175 WVW1994 en art. 307 en 308 Sr, niet overeenstemt met hetgeen de wetgever voor ogen stond. 1) Zijns inziens beoogde de wetgever roekeloosheid niet te beperken tot wat door de Hoge Raad uitzonderlijke gevallen worden genoemd. Deze restrictieve uitleg door de Hoge Raad van roekeloosheid

VR 2017/094 Lichamelijk letsel door schuld. Vrijwilligerswerk. Normalebezigheden.

Jurisprudentie
Aanrijding. Onder normale bezigheden als bedoeld in art. 6 WVW 1994 dienen te worden verstaan bezigheden die kunnen worden aangemerkt als ambts- of beroepsbezigheden of bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn (vgl. HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9370, NJ 2001/162). Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer door de aanrijding een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen en dat deze als gevolg daarvan gedurende een aantal weken geen vrijwilligerswerk heeft kunnen verrichten. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat sprake was van tijdelijke verhindering in de uitoefening van de

VR 2017/22 Teruggave buitenlands rijbewijs.

Jurisprudentie
Teruggave ingevorderd rijbewijs. Buitenlandse rijbewijzen kunnen worden ingevorderd en ingehouden in de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid van artikel 164 WVW 1994. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is daarbij niet vereist dat de houder van het rijbewijs in Nederland woonachtig is. Daaraan doet niet af dat in de gevallen waarin art. 180, vierde lid, WVW 1994 toepasselijk is, op grond van art. 180, achtste lid, WVW 1994 de verplichting om het rijbewijs in te leveren niet geldt indien de houder van het buitenlandse rijbewijs niet in Nederland woonachtig is. Art. 180, vierde lid

VR 2017/18 Ontzegging recht gebruikmaking rijbewijs op grondgebiedandere lidstaat.

Jurisprudentie
Oostenrijkse betrokkene (gewone verblijfplaats in Oostenrijk) rijdt onder invloed van verdovende middelen op Duits grondgebied. Duitse autoriteiten hebben jegens betrokkene een maatregel genomen strekkende tot intrekking van haar Oostenrijkse rijbewijs op het Duitse grondgebied. De artikelen 2, lid 1, en 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 moeten aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een lidstaat op wiens grondgebied de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs tijdelijk verblijft, weigert de geldigheid van dit rijbewijs te erkennen

VR 2017/04, Alcoholslotprogramma. Ne bis in idem.

Jurisprudentie
Rijden onder invloed. Strafvervolging. Aan verdachte is het alcoholslotprogramma (asp) opgelegd. Het hof heeft het beroep op het ne bis in idem-beginsel verworpen. In de bestreden uitspraak ligt als vaststelling van het hof besloten dat aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd en dat die verplichting ten tijde van de bestreden uitspraak nog van kracht was. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen is overwogen in ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256, getuigt het oordeel van het hof - dat het verweer van de raadsman van de verdachte

VR 2017/03 Ne bis in idem. Ongeldigverklaring rijbewijs. Ontzeggingrijbevoegdheid.

Jurisprudentie
Rijden onder invloed. CBR verklaart rijbewijs ongeldig, hof legt verdachte ontzegging van de rijbevoegdheid op. De opvatting dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14, zevende lid, IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte tenlastegelegde feit diens rijbewijs op de voet van art. 134, tweede lid, WVW 1994 ongeldig is verklaard, is onjuist. Dat berust op het volgende.De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel